Marjan Teeuwen | Verwoest Huis Bloemhof 1 (2013), © Marjan Teeuwen

Verwoest Huis op Noord, 2014

De wereld wereldt en het menst in de mens

Had Marjan Teeuwen haar Verwoest Huis op Noord 300 jaar geleden gemaakt, dan was ze waarschijnlijk als heks op een kerkplein verbrand. Een huisvrouw die haar huis zo toetakelt, moest wel van de duvel bezeten zijn. En 200 jaar terug in de tijd, na de Slag bij Waterloo, had het symbool gestaan voor de ruïne van het adellijke Europa. En 100 jaar geleden was het gezien als huis dat in de frontlinie had gestaan tijdens de Eerste Wereldoorlog, de grote oorlog waarvan iedereen dacht dat het de allerlaatste was.

Tijdens een oudejaarsavond maakten we kennis. Zo’n laatste avond van het jaar stemt tot nadenken en het kwam tot gesprekken over de tijd waarin we leven en over de verwoestende consumptiemaatschappij. Er werd ook gelachen en we gingen als vrienden het nieuwe jaar in.

Ik bezocht dat jaar het project dat ze onder handen had. Een compleet huizenblok werd uitgebroken en deels weer opgebouwd met puin en afval. In haar eentje nam ze het op tegen verspilling en verval. Helemaal in haar eentje was ze niet, ze had hulp van studenten en vaklui. Het project resulteerde in foto’s die in stilte getuigden van een niet te stuiten wil en daadkracht. Bij mij thuis kwam een foto van Verwoest Huis aan de muur en dat leidde bijna ook tot een verbouwing, de foto mat 2.60 bij 1.40 meter en paste niet door de deur. Hij ging gelukkig diagonaal door een raam naar binnen en hangt sindsdien majestueus aan de muur.

Marjan Teeuwen

Dagelijks keek ik naar de foto en dan was het alsof ik werd opgenomen in een ruimte die leefde. Het kunstwerk gaf me een zen-gevoel. Ook deed hij me denken aan een foto die ik eens zag van het binnenste van de aarde met verschillende aardlagen. Ik bedacht dat de grond waar ik op woonde eens bedolven zou zijn onder een volgende aardlaag. Verwoest Huis met de gestapelde muren was ook gelaagd, het leek op de aarde. Het kunstwerk confronteerde me met de vergankelijkheid van alles. Toch deerde me die gedachte niet, want als ik naar de foto keek, was het alsof ik aan de tijd ontsnapte. Of nee ik ontsnapte niet, ik wèrd de tijd. Die ervaring was merkwaardig. Hij duurde overigens maar kort, de dagelijkse beslommeringen namen al gauw weer hun beslag.

Toch, toen ik terugdacht aan dat tijdsgevoel, wilde ik die ervaring onderzoeken. Ik dacht weer aan de grond die honderden miljoenen jaren oud is, een tijdsbestek dat ik cijfermatig kan berekenen, maar gevoelsmatig niet kan bevatten. Ik kan me bij duizenden jaren nog iets voorstellen, ik zie generaties komen en gaan, maar bij miljoenen jaren staat het verstand stil. Ja, ik weet hoe aardolie en gesteenten in de aarde zijn ontstaan en ik gebruik dat spul ook, maar beseffen hoe lang een miljoen jaar duurt? Welnee. De gedachte dat de plek waar mijn huis staat over een miljoen jaar misschien ruimte biedt aan een berg of een zee? Het zegt me niets. Misschien is dat het wezen van de tijd en is mijn zen-gevoel een overgave aan de tijd die je niet bevatten kan? Maar hoe verhield zich die overgave met een ander gevoel dat ik ook ken, een gevoel van de eindigheid van alles? Dat is een wanhopig makend gevoel dat me in een oogwenk de zin van alles ontneemt en het leven verandert in een lamlendig voortbestaan. Kortom, er was meer aan de hand en ik wilde uitzoeken hoe het zat met die gevoelens van tijd en Verwoest Huis. Dus zocht ik naar woorden en bouwde een huis voor mijn gedachten.

Dat was in 2014, vlak nadat Marjan haar project Verwoest Huis op Noord had voltooid. Vol goede moed zat ik aan de schrijftafel en schreef een essay. De werktitel luidde: ‘Een geologie van het buitengewone.’ Onder die noemer wilde ik iets zeggen over een filosofische houding die ik belangrijk achtte om cultuur te verankeren in het aardse. Een houding die, om met Nietzsche te spreken, een hamer in de hand nodig had. Naar mijn mening gaf Verwoest Huis blijk van zo’n houding (al had ik niet de indruk dat Marjan Nietzsche gelezen had).

Nu, vier jaar later, moet ik bekennen dat het essay dat ik toen schreef niet de woning was waar mijn gedachten in konden wonen. Sterker, dat huis was onbewoonbaar! Binnen vielen de deuren uit hun sponning, de trapleuning brak af en de vloer zat vol houtwurm. Het gebouw deed denken aan het huis in een reclamespot met Loes Luca. De dame die het huis koopt doet een miskoop want ze snapt niet dat het in een te slechte staat verkeert om verbouwd te kunnen worden.

Dus weg ermee! Onbewoonbaar. De ideeën die ik in 2014 had, bleken teveel ‘flits’ gebleven. De verbanden waren zoek, het geheel stond op instorten. Wat te doen? Ik deed als Marjan en begon voorzichtig te slopen. Ik brak de tekst open en ging met het puin aan de slag. En? Er ging een wereld voor me open.

Het wereldt

Om te beginnen is het best wel raar wat Marjan Teeuwen doet. In tegenstelling tot de behuizing die een architect ontwerpt, zijn haar bouwwerken onbewoonbaar. Doel van het werk is niet bewoning, maar: ‘ontwoning’. De existentialist Heidegger (1889-1976), wiens filosofie ik prefereer boven die van Sartre omdat hij de vraag naar de zin van het zijn centraal stelt, zegt in De oorsprong van het kunstwerk (1950): ‘Wat stelt het werk als werk op? Van binnenuit oprijzend ontsluit het een wereld en houdt die als heersende verblijfplaats open. Het werk-zijn houdt in: een wereld opstellen.’

De filosoof wijst erop dat een goed kunstwerk een wereld opent. En wat is nu het verschil tussen een architect die een kunstwerk schept om in te wonen en de kunst van Marjan? Haar kunst ontsluit geen woonruimte, maar vernietigt deze juist. Alle aandacht gaat uit naar een eigen wereld die opengaat.

Met het woord wereld is wel iets vreemds aan de hand. In feite hebben we het over iets reëels en toch ongrijpbaars. Heidegger zegt: ‘Wereld wereldt en is zijnder dan het tastbare en waarneembare waarin we ons thuis wanen. Wereld is nooit een voorwerp dat voor ons staat en bekeken kan worden. () De steen is wereldloos. Planten en dieren hebben evenmin een wereld; zij zijn deel van de verhulde aandrang van een omgeving waar ze in hangen. Waar de wezenlijke beslissingen van onze geschiedenis vallen, waar wij die op ons nemen of uit de weg gaan, ze miskennen of opnieuw ondervragen, daar wereldt de wereld.’

Dat het wereldt in de wereld (oorlogen, politiek, economie, etc.) zal best, maar ik voel me er persoonlijk minder bij betrokken. Dat het menst in de mens zit me dichter op de huid en ik zou daar meer van willen weten. Kijkend naar Verwoest Huis zie ik een wil die creëert, maar ook een drang die stukmaakt. Zijn die twee krachten het wezen van wat er menst in de mens? Twee innerlijke krachten die met elkaar wedijveren? Zou kunnen, ik herinner me de opwinding als kind bij het bouwen en dan omduwen van de blokkentoren. Scheppen om te vernietigen en vernietigen om te scheppen, is dat het wezen van de tijd, is dat wat ik gewaar word in Verwoest Huis? Dan zou het kunstwerk het resultaat kunnen zijn van een soort kunstenaarsdans in de tempel van een afwezige god Shiva.

Ik vind Goden onvoorspelbaar, dus houd ik ze liever buiten de deur. En met kunst mogen ze zich van mij ook niet bemoeien want kunst opent een deur naar een eigen wereld (Heidegger) en niet naar een god. Wie goden tot zijn kunst toelaat, staat al gauw niet meer in een wereld, maar in een tempel. Verwoest Huis laat mij zien dat het wereldt in de wereld èn dat het menst in de mens. Woningen die voorheen naast elkaar, onder en boven elkaar bestonden, werden door Marjan met elkaar verbonden en vormen een nieuw geheel. Door dat openbreken is er een nieuwe ruimte ontstaan, een openheid waarvan niet duidelijk is waartoe hij dient of hoe ik me ertoe moet verhouden. De voormalige behuizing heeft plaats gemaakt voor iets anders en toch zijn er ook nog sporen achtergebleven van voormalige bewoners. Een tegelwandje, een strook behang, een kraan, stroomdraden uit de wand, ze roepen vragen op. Hoe woonden deze mensen hier? Leven ze nog? Stel dat ik hier had gewoond?

© Marjan Teeuwen

© Marjan Teeuwen

Hoe kunst werkt

Verwoest Huis is niet het resultaat van een dans voor een afwezige god. Het werk laat zien dat het menst in de mens. Wat menst er in Verwoest Huis? Nu is de verleiding groot om bij deze vraag te gaan psychologiseren. Zo van: haar kunst zal wel met de opvoeding te maken hebben. Of: het komt door haar mentale gesteldheid en sociale omstandigheden. Dat psychologiseren laat ik liever aan anderen over. Ik wil de wereld van het kunstwerk niet opvullen met tijdelijk wel en wee van een individu, of met de maatschappelijke context. Kunst kan meer, het ontsluit een wereld waarin mensen mensen. Hoe?

Magritte schildert in 1963 het schilderij: La reconnaissance infinie. En Heidegger zegt dit: ‘Het tegen-elkaar van wereld en aarde is een strijd. Maar we miskennen het wezen van de strijd maar al te gemakkelijk door hem op één hoop te gooien met tweedracht en twist, zodat we de strijd alleen kennen als verstoring en verwoesting. In de wezenlijke strijd daarentegen zet elk der strijdende partijen de ander aan tot zelfhandhaving van zijn wezen. Maar zelfhandhaving van het wezen is nooit het stug vasthouden aan een toevallige stand van zaken, maar het zich overgeven aan de verborgen oorspronkelijkheid van de herkomst van het eigen zijn.’

Een mooie formulering vind ik, omdat Heidegger kiest voor de wil die creëert. Hij wordt niet pessimistisch en legt zich niet neer bij domme zelfhandhaving (zoals: Amerika first). Toch blijft zijn formulering steken in een dualisme van het tegen-elkaar. Het verwoestende van die strijd verdoezelt hij met verhullend taalgebruik dat de suggestie wekt dat zelfhandhaving is te bereiken door overgave. Zelfhandhaving is overgave? Dat is een paradox. Heidegger noemt het een overgave aan: ‘de verborgen oorspronkelijkheid van de herkomst van het eigen zijn.’ Zijn formule klinkt mooi en mysterieus, maar snijdt hij hout? Volgens mij is de formule bruikbaar als je het vertaalt met het woord: cultuur.

Cultuur

Ongemerkt heb ik met Heidegger een cirkelbeweging gemaakt en ik ben terug bij het dubbele gevoel dat ik heb als ik naar Verwoest Huis kijk. Enerzijds is er het rustgevend gevoel en anderzijds paniek bij de geachte aan de eindigheid van alles. Heidegger spreekt van overgave en dat klinkt geruststellend, maar waar geef ik me dan aan over? Hoe weet ik of ik dat waar ik me aan overgeef kan vertrouwen?

Mijn conclusie is dat echte zelfhandhaving alleen kan bestaan binnen het domein van cultuur. Cultuur is het gebied waar mensen interesse tonen in elkaar en elkaar waarderen. Taal is voor mij de tuinman van cultuur. Alleen in culturele interesse kan ik mezelf handhaven. En dat doe ik niet in mijn eentje, de tuinman helpt. Kan ik mezelf niet handhaven buiten cultuur? Jawel, ik kan ook kiezen voor verwildering in het aardse, of mezelf verliezen in de wereld. Mezelf verliezen in de wereld van een kunstwerk kan ook, kunst is namelijk niet automatisch cultuur. Niet toevallig zeg je: kunst én cultuur, ze stemmen niet overeen. De eigen wereld die een kunstwerk ontsluit, dient eerst verkend en op orde gebracht te worden voordat het deel uitmaakt van cultuur. Dat gebeurt met taal. Taal maakt kunst geschikt voor opname in cultuur.

René Magritte | The False Mirror (1928), © 2014 C. Herscovici, Brussels

René Magritte | The False Mirror (1928), © 2014 C. Herscovici, Brussels

De tuinman en ik zitten te kijken naar Verwoest Huis dat zo glorieus bij mij aan de muur hangt. Hij wijst naar de foto en zegt: ‘Zie jij linksonder die ronde stip?’ Ik beaam dat ik hem ook zie. ‘Ja vreemd, hoe komt die stip daar?’ vraag ik. Dan vertelt hij dat in rechte lijnen schoffelen handiger is dan rondom. Maar ook dat er geen rechthoekige bloemen en planten bestaan. Hij beweert dat cultuur een cirkel is die zich plooit omdat het zich alleen vierkant verstaat. ‘En wat heeft die stip daarmee van doen?’ vraag ik. ‘Die stip, dat ben jij,’ zegt hij. Dan staat hij op en gaat weer naar zijn tuin. Ik die stip? Ik kijk naar het ding.

De grijze stip is een dissonant. Focus ik erop dan eist hij alle aandacht op en verdringt het andere naar de achtergrond, alsof alleen hij ertoe doet. Focus ik op de muren en negeer ik de arrogante stip, dan verdwijnt hij in het geheel en was zijn aanwezigheid blijkbaar geheel vrijblijvend. Merkwaardig. Door de eigenwijze stip is er een nieuwe dynamiek in het werk ontstaan, het is zoiets als een ‘schitterend ongeluk’. De stip maakt me ervan bewust dat ik deelneem aan het kunstwerk. Door de stip ben ik niet enkel toeschouwer, ik bevind me ook ìn het kunstwerk. En toch sta ik er buiten en kijk ik ernaar. Wonderlijk.

In de versie van mijn artikel uit 2014 volgde ik de cultuurdefinitie van de filosoof Oudemans (Oudemans, De verdeelde mens, 1980). Hij ziet cultuur als een bouwwerk van gewoonten. Bij nader inzien vind ik Oudemans’ definitie te ‘gewoon’. Cultuur is ook te zien als ontmoeting- en waarderingsgebied en het is maar de vraag of zo’n ruimte ‘gewoon’ zou moeten zijn. Wordt er dan niet gewoond in cultuur? Jazeker, cultuur heeft bewoning ten doel, niet ontheemding. Maar bewoning is niet bij uitstek het doel waartoe cultuur dient. Binnen het gebied cultuur is er naast het gewone van bewoning bijvoorbeeld ook ruimte voor bewondering.

Het menst

Heidegger vertelde eens dat hij dacht dat alleen een god de mens kon redden. Dat zei hij aan het einde van zijn leven, na vergeefs te hebben gehoopt met zijn filosofie redding te kunnen bieden. Ik verwacht niet dat een god komt redden. Heidegger goochelt een god uit de hoed en ik denk dat ik die truc kan verklaren met het geweten dat hij in zijn denken mee smokkelt. Dat geweten is bezorgd om de herkomst (verborgen oorspronkelijkheid) van het eigen zijn. Heidegger zelf kon gewetenloos liegen (en ook zwijgen, bijvoorbeeld tegenover de joodse dichter Celan) en hij gaf blijk van weinig empathisch vermogen. Inderdaad, ik kan het psychologiseren toch even niet laten. (Gertrud Heidegger, brieven van M. Heidegger aan zijn vrouw Elfride 1915-1970.)

Denken is een onderneming die gewoonlijk dicht bij huis blijft, het zoekt de zinnigheid bij zichzelf. Dat moet ook wel, want mijn denken speelt zich niet in het hoofd van een ander af. Toch is het vermogen tot waarderen gebaseerd op het kunnen tonen van belangstelling, op het vermogen tot empathie, op interesse. Geïnteresseerd-zijn is letterlijk te verstaan als een inter-esse, een er-tussen-zijn en minder als eigen-zijn. Heidegger tovert een god tevoorschijn en dat mag, het is zelfs vermakelijk. Zijn goochelhoed is echter het domein van cultuur waar mensen elkaar waarderen. Wie kritiekloos met Heidegger meeloopt, raakt verzeild in een cultuur die, als het er op aankomt, een zich verheerlijkend onderdompelen is in het aardse.

Charme

Cultuur wordt gevonden in de wereld en woont onder mensen. Mensen verhuizen, hele volken verhuizen soms. Wie verhuist, moet dingen opgeven, soms zelfs de eigen taal. Een verhuizing kan tot ontheemding leiden als er geen zicht is op een nieuw onderkomen. Cultuur verhuist ook. Een cultuur waarvan ik me mede drager meende, kan vervreemden en loslaten. Als cultuur verhuist, kan ik het gevoel hebben leeg achter te blijven en tot ruïne te zijn veroordeeld. Wie dat meemaakt, heeft de schrik flink te pakken.

Verwoest Huis is unheimlich. Het werk opent een wereld die je confronteert met het eindige van alles. De wereld staat op instorten. En jij? Alles wat je kan doen in het leven is het stapelen van wat muurtjes. Toch charmeert het werk ook. De aarde is geen tranendal, is de titel van een bundel van de Belgische surrealisten uit 1944. De schilder René Magritte schrijft daar: ‘De oorlogsjaren hebben me doen inzien dat die mensen (de nazi’s) beter dan wij in staat waren te choqueren. Maar ze waren totaal niet in staat te charmeren.’ Voor Magritte is een kunstwerk geslaagd als het een schok teweeg brengt èn kan charmeren. De keuze voor charme is voor hem een morele verantwoordelijkheid: ‘De mens kan zijn mentale universum richten op charme of op verschrikking. In dat laatste universum is er enkel afgrijzen en verder niets.’

Zowel Heidegger als Magritte spreken over kunst als medium waardoor een mens het bestaan gewaar wordt. Dit gewaar worden is geen weten, maar een vermoeden, een ‘ahnen.’ Magritte spreekt in dit verband van het ‘mysterie’. Dat mysterie is niet iets heiligs, het is er gewoon zoals een grijze stip. Het mysterie ligt bij wijze van spreken voor het oprapen. Kunst kan in contact brengen met het onbekende en onvermoede van de realiteit. Kunst betovert (Kaulingfreks, Meneer Iedereen, over het denken van René Magritte, 1984).

Het existentiële karakter van Verwoest Huis is anders dan ik in 2014 dacht. Niet de eindigheid boezemt angst in, zoals ik toen dacht, maar het uitzichtloze. Niet het kunstwerk op zichzelf is bepalend voor uitzicht, de mensen die zich erin verplaatsen en het becommentariëren bepalen het. Verwoest Huis op zichzelf is niet iets dat troost biedt, het zijn mensen die dat doen, bijvoorbeeld zij met wie ik Verwoest Huis bezocht. En ook zij die er woonden en aan wie je onwillekeurig denkt als je in het kunstwerk rondloopt.

Gewaarwording

Daar sta ik dan, samen met anderen in het Huis op Noord dat door haar is verruïneerd. ’s Ochtends stond ik de planten nog water te geven en wiedde ik het tuinbonenbed. En nu sta ik hier samen met anderen in haar Verwoest Huis. Ik kijk rond en word er stil van. De bewoners die er eens waren, ze zijn vertrokken en Marjan heeft met zorg en precisie hun huis op stelten gezet. De verwoesting is geen complete vernietiging, zoals bij een aardbeving of overstroming, het is meer een gecontroleerde vernieling. Moet ik het zien als een nogal uitzichtloze en uit de hand gelopen verbouwing? Even denk ik aan het tv-programma: Help, mijn man heeft een hobby. Ik zie sporen van vroegere bewoning, oud tegelwerk, leidingen, een kachelpijp. Ik vind ze vertederend. Iemand wijst naar die dingen en spreekt zijn bewondering uit over de manier waarop het uitgewoonde huis is verzaagd en vertimmerd tot iets prachtigs. De mensen met wie ik hier samen ben, geven me het gevoel dat we buren zouden kunnen zijn.

Naast me begint een man te vertellen over vroeger. ‘Daar was de woonkamer en hier het kamertje waar onze oudste is geboren. In het schuurtje beneden hield ik mijn duiven, je ziet er nu niets meer van. En over een paar weken is dit alles weg. Ach, het leven gaat te snel, we zijn maar toevallige stipjes in het heelal.’

Ik antwoord: ‘Maar wat is het heelal zonder zo’n stip?’