Waarheid in een schoen

Tijdens een kanotocht over het Paterswoldsemeer had ik m’n schoenen uitgedaan en op de punt van de boot gezet. De week daarop schreef ik er een gedicht over. Toen wist ik niet dat die schoenen sprekend leken op het paar dat Van Gogh eens schilderde. Nu weet ik dat wel, en ook dat de filosoof Heidegger iets over die schoenen zegt in De oorsprong van het kunstwerk, een college uit 1936. Aan de hand van dat schilderij legt hij uit wat ware kunst is. Zijn visie op kunst heeft mij geholpen om mijn eigen gedicht beter te leren begrijpen, ik kijk er met andere ogen naar.

gedicht_veter

De wil tot waarheid

Vanwaar de drive van Heidegger (1889-1976) om te zoeken naar zoiets als ‘de waarheid’? Wat bewoog hem en hoezo dacht hij dit voor anderen te kunnen bepalen? Rüdiger Safranski beschrijft in Heidegger en zijn Tijd welke weg H bewandelt. Het startpunt is de Eerste Wereldoorlog. Na die oorlog staat de wereld op zijn kop, de kaart van Europa is totaal veranderd en Amerika heeft het voor het zeggen. Duitsland is failliet, er heerst een enorme politieke chaos. De ‘geest’ die de Europese cultuur in de jaren voor de oorlog leven inblies, is geen realiteit meer. En H ziet dit met lede ogen aan.

In een brief uit 1918, na de capitulatie van Duitsland, spreekt hij een vriend moed in en schrijft dat het er nu op aankomt opnieuw te leren vertrouwen, maar niet door terug te vallen op oude waarheden: geen idealistisch getheoretiseer meer, noch een oeverloos psychologisch gerelativeer. Hij stelt dat men moet beginnen met de feiten onder ogen te zien. Om te beginnen moet iemand zichzelf leren vertrouwen. Zelfvertrouwen hoort de basis te zijn waarop een nieuw gezamenlijk vertrouwen mogelijk wordt. Zelfbegrip leidt tot vertrouwen, zonder zelfvertrouwen kan iemand de ander niet vertrouwen. Zelfbegrip begint met het je losmaken van een ‘bedrieglijke geciviliseerde gerieflijkheid.’

 

Bedrieglijke gerieflijkheid

Na de desillusie van de capitulatie wil H opnieuw beginnen met het zoeken naar een gezamenlijke waarheid. Zijn land, eigenlijk het hele Europese continent, is de weg kwijt. De zekerheden van kerk en staat zijn schijnzekerheden gebleken. Het internationale socialisme komt op en spiegelt nieuwe idealen voor. H gelooft ze niet, hij wil zich baseren op het feitelijke: op dat wat iemand als individu is. Hij wil bouwen op wat echt is, niet op de schone schijn van idealen. Dat feitelijke is voor hem niet een idee, maar een gevoel, een gestemdheid waar ieder mens zich van bewust kan zijn. Die gestemdheid is gebaseerd op de realiteit van het leven zelf. Een leven dat begint en eindigt. En in die tussentijd moet iemand er iets van maken. Dat moet natuurlijk niet per se, er is niemand die daartoe verplicht. Iemand kan er voor kiezen om net te doen alsof zijn tijd niet beperkt is, bijvoorbeeld door te denken dat er een hiernamaals is, of een ‘hiervoorafgaands’ (reïncarnatie). Zulke gedachten leiden volgens H tot een oneigenlijke manier van leven. Oneigenlijk in de zin van: onecht. Iemand verschuilt zich dan achter de gerieflijke schijn van een denkbeeld of ideaal. Iemand kan zich bijvoorbeeld een Christen noemen, een Socialist, een Homo, een Boeddhist,  Liberaal, of Europeaan, maar dat zegt te weinig (of juist te veel) over wie iemand is als mens. De nieuwe grond die H zoekt voor vertrouwen, is een antwoord op de vraag hoe de mens als mens in de wereld staat.

 

Kunst

Niet religie, maar kunst is voor H een vangnet voor het denken. In kunst herkent hij de stemming die leven en denken verbindt. Ware kunst is voor H niet iets dat op een ideale of perfecte manier is gemaakt waardoor het ‘net echt’ is, of voldoet aan een schoonheidsideaal. Nee, ware kunst roept een sfeer op die overeenstemt met het gevoel van iemand die zich realiseert dat hij als mens bestaat. Die stemming herkent H in de geschilderde schoenen van Van Gogh (1853-1890). De schilder was 33 jaar toen hij het werk maakte (hij stierf op 37-jarige leeftijd). H was 47 jaar toen hij erover schreef (hij stierf toen hij 87 jaar oud was).

Het bijzondere van deze schoenen is volgens H dat ze op zichzelf staan, ze verwijzen nergens naar. Ze zijn afgebeeld in een onbestemde ruimte en hierdoor schept hun aanwezigheid een eigen wereld. Ze staan daar niet met een bepaald doel, ze zijn er gewoon. En door daar te zijn, is het alsof ze zich bewust zijn van hun er-zijn. En dit is wat ware kunst doet, het laat iemand stilstaan bij het feit dat hij er is. Dat bewust worden ontstaat als iemand zich losmaakt uit de gewone, vertrouwde omgeving.

SchoenenvGoghbeide

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De aarde

H gaat nog een stap verder bij zijn interpretatie van het schilderij, hij ziet nog iets. Hij beschouwt de schoenen als symbool van de manier waarop de mens in het leven staat. Hij ziet in het paar afgetrapte schoenen de dagelijkse strijd van de mens om zijn bestaan. Een strijd die in wezen een strijd is tussen de aarde waaruit alles voortkomt en terugkeert, en de eigen ruimte van de mens, de wereld die hij schept uit het aardse, een wereld waarin mensen zich tegen het aardse teweer stellen. Iemand moet op zijn schoenen kunnen vertrouwen, ze moeten degelijk zijn. Evenzo moeten mensen op hun wereld kunnen vertrouwen, anders zijn ze overgeleverd aan de grillen van de natuur.

Samenvattend is te zeggen dat de betekenis van de schoenen dubbelzinnig is. Ze symboliseren het contact met de aarde, maar ook het verlies van dit contact (op blote voeten voel je de aarde beter). De schoenen markeren de grens tussen dier en mens: mensen dragen schoenen, ze creëren een eigen wereld. Cultuur is per definitie verlies van het contact met de aarde, maar het betekent ook de realisatie van een nieuwe, eigen ruimte waarin de mens bij zichzelf is. Ware kunst getuigt hiervan. Kunst is het medium bij uitstek dat de mens bewust maakt van de wereld waarin hij zich bevindt.

Volgens H behoren de schoenen toe aan een vrouw. Hij schrijft: ‘De boerin op het land draagt de schoenen. Uit de donkere opening van het uitgetrapte binnenste van het schoeisel staart het afmattende van het altijd maar werken. In het onverslijtbare degelijke van deze zware schoenen ligt de taaie volharding opgehoopt van de langzame tred door de langgerekte en altijd eendere voren van de akker waar een gure wind op staat. Aan het leer kleeft het vochtige en vette van de grond. Door deze schoenen waart de gelaten zorg om het dagelijks brood, de woordeloze vreugde de nood weer te hebben doorstaan, de huiver rond de aankomst bij de geboorte en de siddering van de alomtegenwoordige dreiging van de dood. Aan de aarde behoort dit tuig (gereedschap, de schoenen) toe en in de wereld van de boerin is het geborgen.’

 

Kritiek

Op de beschrijving van de schoenen kwam kritiek. Men vroeg zich af waarom H meende dat dit boerenschoenen waren. Hij werd ervan verdacht de kunst van Van Gogh alleen maar te gebruiken als illustratie bij zijn filosofie. Niets wees er op dat dit boerenschoenen waren. Uit de dagboeken van Van Gogh is gebleken dat de schoenen van een fabrieksarbeider waren en dat Van Gogh ze tweedehands kocht, er zelf nog enige tijd op heeft gelopen en ze daarna schilderde. Dus ze waren nooit gedragen door een boerin, zoals H meent. Was hij een romanticus die er maar op los fantaseerde bij het zien van dit paar schoenen? Waardeerde hij het kunstwerk alleen omdat hij het kon gebruiken voor een idee?

 

De boerin

Waarschijnlijk heeft H de boerin toch gezien. Dat is althans de mening van Iain Thomson in Heidegger, Art, and Postmodernity. Thomson toont aan dat H wel degelijk een boerin in de schoenen zag: er is een vrouwenfiguurtje te zien boven de veters in de hoge linkerschoen. De schoen heeft bovendien iets spookachtigs, het is alsof hij tot leven komt en uit eigen beweging loopt, getuige het licht dat onder de hak door schijnt. H heeft dus niet zomaar wat verzonnen, hij heeft zich wel degelijk laten inspireren door het kunstwerk, al is er in werkelijkheid geen vrouw geweest die deze schoenen droeg.

schoenvrouw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zonlicht oogsten

Keren we terug naar mijn gedicht en laten we doen alsof we het kunnen lezen door de ogen van H. In een echt gedicht dient volgens hem het volgende te gebeuren: er moet iets uit zijn verband zijn gehaald waardoor er een vreemdheid ontstaat, een (interpretatie)ruimte die ons losmaakt van het aardse. In die vrijgekomen ruimte zouden aanknopingspunten te vinden moeten zijn waarmee we ons een wereld kunnen voorstellen. Het gedicht moet dus niet iets beschrijven wat er al is, maar iets wat er juist niet is, en vanuit dat (niets) zou de mogelijkheid aanwezig moeten zijn om ons een wereld voor te kunnen stellen. Hier nogmaals het gedicht:

gedicht_veter

 

Euforie en melancholie

Twee kano’s, een ik en een jij, zijn onderweg. Ze zijn verbonden met een schoenveter. De sfeer is euforisch, de peddels zwaaien als molenwieken door de lucht, het tweetal wordt op handen en voeten gedragen door het water, zonlicht wordt geoogst en genoten. Maar dan komt de herfstvrouw in zicht en de sfeer slaat om. De vrouw maakt een foto: ze plukt de twee als het ware van het water en de tocht eindigt in een kijkdoos. De jij blijft achter en de ik vaart weg. En blijkbaar wil de ik met zijn gedicht de herinnering bewaren aan het contact dat er was met de jij.

 

Stemmingswisseling

Er wordt in het begin een zorgeloze wereld voorspiegeld. De holle boomstam kan worden geïnterpreteerd als de wereld, een ruimte die uit de natuur tevoorschijn in geschraapt. De openingszin is een triomf van de wereld op de natuur: er is uit de aarde een ruimte gecreëerd die bruikbaar is en betrouwbaar. Waar gaat de tocht heen, wat is het doel van de reis? Waar anders  gaat het heen dan naar die aarde waaruit alles voortkomt en waarnaar alles terugkeert. In het tweede vers is de aarde echter niet als boomstam weergegeven, maar is geportretteerd als vrouw, als herfstvrouw, een oudere vrouw blijkbaar. Nog steeds is de sfeer goed, jolig zelfs: de peddels draaien als Hollandse wieken rond en het water draagt aan de feestvreugde bij. Maar dan gebeurt het: de vrouw staat de twee op te wachten met een fototoestel. Dit is het moment waarop de sfeer omslaat, de wereld is veranderd in een kijkdoos. De euforie is omgeslagen in melancholie, in een gevoel van gevangenschap, een gevoel van zinloos opgesloten zijn. De jij blijft achter en de ik koestert de herinnering aan het contact dat er was dankzij de veter, maar eigenlijk is die veter een schrale troost.

 

Stemming en wereldbeeld

Hoe serieus moeten we de triomfstemming in die holle boomstam eigenlijk nemen? Is er niet gewoon sprake van vakantiepret, een verjaardagsfeestje waarbij iemand een foto maakt, zoals meestal gebeurt op een verjaardag? Het antwoord is ja en nee. Ja, natuurlijk is het gedicht ontstaan uit de alledaagse werkelijkheid, waar anders zou het kunnen ontstaan? En nee, het beperkt zich niet tot het gewone, het maakt zich er juist uit los. Het wil op zichzelf staan en iets zichtbaar maken wat op een foto niet te zien is. De euforie is het resultaat van een ontdekking die ontstond uit de omkering van een oud, Egyptisch wereldbeeld.

egyptekosmos

Tijd en wereldbeeld

De Egyptenaren waren de ontdekkers van de kalender, in het vijfde millenium vóór Christus. Astronomie was het centrale thema van de Egyptische cultuur. De Egyptenaren bedachten de kosmische orde: de samenhang tussen Hemel en Aarde. Zij zagen hun Egypte als de spiegel van de kosmos. Zoals het boven was, zo was het ook beneden. De samenhang brachten ze ook in beeld met het ontwerp van het piramideveld. In hun religie en tijdsbesef kwam deze samenhang tot uitdrukking. Ze waren het eerste volk op aarde dat uren, dagen, maanden gebruikte en seizoenen en jaren kende.

In de tempel van Dendera is een reliëf met daarop de Godin Noet te zien, die zich over de aarde heen welft, met daaronder de Aard-god Geb, liggend in de houding van een menselijk embryo. In de afbeelding wordt aangegeven hoe deze zich ontwikkelende mensenfiguur onder invloed staat van de kosmos, geformuleerd in het stralenpatroon tussen beide figuren met tekstfragmenten die dat verband uitspreken.

Dit oudste wereldbeeld is gebaseerd op de veronderstelling dat er een beschermende orde is tussen hemel en aarde. Tegenwoordig denken we hier anders over. Zo lezen we de beroemde roman De ontdekking van de Hemel, van Harry Mulisch (1927-2010), niet als een realistische roman, maar als avonturenroman, of sprookje. Een kosmische orde met goden en godinnen bestaat niet. Sterker nog, als we niet opletten, kan een meteoriet de aarde op een fatale dag vernietigen, zoals gebeurt in de film Melancholia (2011) van Lars von Trier. Het niet kunnen vertrouwen op de kosmos is enerzijds jammer, anderzijds is het een feit waarmee we leven. Een feit overigens dat ons nieuwe tijd ter beschikking stelt, want we kunnen de tijd op een andere manier besteden aangezien piramides bouwen niet meer van belang is.

In het gedicht wordt die ‘nieuwe’ tijd gevierd. In het vers: ‘het water draagt ons op handen en voeten,’ is het beeld van de godin Noet ondersteboven gekeerd, ze is niet meer de overkoepelende kosmos, ze is veranderd in water, liggend op haar rug. Met de handen en voeten omhoog draagt ze de kano’s. Ze is in het gedicht de opwaartse druk, een ‘gewone’ eigenschap van het water.

 

De foto

Dan is er een stemmingswisseling: de ik raakt ontstemd als hij de vrouw ziet met het fototoestel. Hij voelt zich van het water geplukt en in een kijkdoos gestopt. De heftigheid van zijn reactie doet vermoeden dat er meer aan de hand is dan gewoon het maken van een foto. Het is gissen op dit punt, maar het vermoeden bestaat dat de ik het gevoel heeft dat de vrouw hem zijn wereld ontneemt door er een stomme, nietszeggende foto van te maken. Nietszeggend, omdat er blijkbaar een stilte heerst tussen haar wereld en de zijne. Voelt hij zich gedragen in zijn wereld, het gevoel dat zij heeft in de wereld van het fototoestel, kennen we niet. Het lijkt wel alsof er eigenlijk niet echt een vrouw is, maar alleen dat fototoestel. Het is voorstelbaar dat zij de personificatie is van de macht van het aardse dat probeert de vrije wereld van de ik te omvatten en weer in haar macht te krijgen. Ook kan het zijn dat de herfstvrouw staat voor de oude wereld waarin nog op het kosmische wordt vertrouwd. Hoe dan ook, blijkbaar is communicatie niet mogelijk tussen deze twee, een uitwisseling vindt niet plaats.

 

Eigenaarschap

Het resultaat van de nietszeggendheid is dat de ik zich onteigend voelt. Hij ziet zijn wereld door haar veranderen in een stuk (ver)scheurbaar papier. Hij is ontstemd omdat hij als eigenaar van zijn echte wereld niet wordt (h)erkend. In zekere zin is deze situatie een schrikbeeld, de sfeer is misschien te vergelijken met de paniek in het schilderij De schreeuw van Edvard Munch (1863-1944), een tien jaar jongere tijdgenoot van Van Gogh. Toch is er in het gedicht een verschil: de ik is niet zozeer in paniek, maar realiseert zich dat zijn wereld kwetsbaar is en er woorden nodig zijn die er toe doen. Overigens is het ook voorstelbaar dat de vrouw met haar fototoestel zich voelt als het personage op het schilderij van Munch. We zouden ons kunnen voorstellen dat we haar op de rug zien terwijl zij bezig is de twee bootjes te fotograferen die eraan komen. Mogelijk weet zij zich geen raad met een wereld die niet de hare is. Of misschien ziet ze er eenvoudig het belang niet van in om naar de wereld van de ik te vragen en negeert ze die gewoon, of vergeet ze simpelweg ernaar te vragen. Hoe dan ook, we weten het niet.

 

20100830193250!The_Scream

Mede-eigenaar

Het schrikbeeld dat Munch laat zien, toont wat er feitelijk gebeurt met iemand die, zoals Heidegger wil, de feiten onder ogen ziet en op zichzelf probeert te vertrouwen. De psychoanalytica en taalfilosofe Julia Kristeva wijst erop in het boek Black Sun, depression and melancholia (1989), dat kunstenaars per definitie melancholisch zijn omdat zij in zichzelf gekeerde individuen zijn die de dood in het leven ervaren. Dit is een andere dood dan die H bedoelt met de feitelijkheid van een tijdelijk leven. Het is een psychische dood. Deze is echter niet minder feitelijk, omdat iemand zonder contact met een ander en zonder (h)erkenning, het simpelweg niet lang uithoudt. Van Gogh is hier zelf een voorbeeld van, hij leed onder het feit dat zijn werk geen erkenning kreeg.

De stelling van H dat zelfvertrouwen de basis zou zijn waarop een nieuw gezamenlijk vertrouwen ontstaat, acht ik ten dele waar. Zelfbegrip leidt tot vertrouwen, maar dat zelfvertrouwen stelt niets voor als anderen niet hun vertrouwen schenken. Vertrouwen werkt niet, als het niet wordt geschonken. Zonder wederzijds vertrouwen is het niet mogelijk jezelf te vertrouwen. En Heidegger, zo is in de biografie van Safranski  te lezen, was geen held in het schenken van vertrouwen.

 

zelfportretgogh

Van Gogh zelf

De waarheid van H zou wel eens kunnen zijn dat hij in Van Gogh een mede-eigenaar zocht voor zijn eigen filosofie. Zo’n mede-eigenaar had hij nodig omdat hij zich in zijn denkwereld geïsoleerd en alleen voelde. Dan zou de conclusie zijn dat H niet het schilderij ter illustratie van zijn filosofie gebruikte, maar de schilder gebruikte als een stille getuige met wie hij zijn (denk)wereld dacht te kunnen delen. Het geheim van Heideggers waarheid is dan dat hij zijn paniekgevoel, zijn feitelijke psychische dood maskeert met de interpretatie van het schilderij.

Het zou voor de waarheidsvraag interessant zijn als we Van Gogh konden vragen wat hij er zelf van vond. Helaas overleed hij veel te jong. Had hij langer geleefd dan was er mogelijk een correspondentie tussen hem en de filosoof ontstaan. Wat hadden we daarin kunnen lezen? Zou hij zich in de wereld van H hebben herkend? Zou hij zich erin hebben kunnen vinden, ermee uit de voeten hebben gekund? Ontstond het vrouwenfiguurtje onbedoeld, of schilderde hij het bewust? Zou hij akkoord zijn geweest met H’s romantische beeld van de boerin? Hoogstwaarschijnlijk niet!

 

De jij

Het is waarschijnlijker dat dat Van Gogh de schoenen schilderde omdat hij probeerde contact te maken met iemand. Hij schilderde de schoenen niet slechts om ze als een op zichzelf staande wereld te presenteren. De persoon met wie hij (onbewust) maakte, was vermoedelijk zijn moeder. Als hij het vrouwenfiguurtje bewust geschilderd heeft, dan is het bedoeld als een ode aan haar. Het is bekend dat zijn moeder ook schilderde en dat Van Goghs eerste probeersels ontstonden door het natekenen van wat zij had gemaakt. De kunst van Van Gogh is euforisch, het getuigt van een zich gedragen weten door de wonderbaarlijkheid van het pure bestaan. Het kan haast niet anders of het vrouwenfiguurtje is bedoeld als dankbare herinnering aan het contact met haar. Zeker weten doen we dat niet, maar dat is niet erg, want zo is het gesteld met de waarheid van kunst. Die waarheid bestaat niet echt, hij is verzonnen en kan niet letterlijk worden begrepen, maar wel worden (h)erkend en gedeeld. Het is een waarheid voor wie de schoen past, een waarheid met een veter.