Stenen verdrinken niet

Paul Celan, pseudoniem voor Paul Antschel (1920-1970) wordt gerekend tot de belangrijkste dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Zijn gedichten zijn vaak moeilijk te doorgronden, hij verwerkte er zijn ervaringen in van de Holocaust. Een beroemde zin uit het gedicht Todesfuge luidt: ‘Der Tot ist ein Meister aus Deutschland.’ In dat gedicht herdenkt hij zijn moeder die in een kamp werd vermoord. Celan heeft eens gezegd dat het gedicht bedoeld was als een graf voor haar.

Er zijn interpretatoren die Celans oeuvre beschouwen als ‘herdenkingspoëzie’. Zijn gedichten zouden uitsluitend gaan over het drama van de moord op miljoenen joden. Maar als poëzie enkel een middel is om terug te kijken, is het dan niet zijn ziel kwijt?

Onderstaand fragment komt uit de bundel Atemwende (Ademkeer) uit 1967. De vertaling is van Ton Naaijkens (2003).

 

IN DEN FLÜSSEN nördlich der Zukunft

werf ich das Netz aus, das du

zögernd beschwerst

mit von Steinen geschriebenen

Schatten.

 

IN DE RIVIEREN ten noorden van de toekomst

werp ik het net uit, dat jij

aarzelend verzwaart

met door stenen geschreven

schaduwen.

 

Filosoof Theo de Boer zegt in Trouw (24-5-2003): ‘Hier wordt het beeld opgeroepen van een ik die een net uitwerpt. Het woord ‘ontwerpen’ is sinds Heidegger een sleutelwoord van de wijsgerige antropologie. Het uitwerpen van een net is in de filosofie ook vaak een beeld voor wat de wetenschap doet. Een theorie wordt als een netwerk over de werkelijkheid geworpen. Hoe nauwer de mazen, hoe meer greep we op die werkelijkheid krijgen. Het land ‘noordelijk van de toekomst’ is een land zonder toekomst en verwachting, een land van de dood en de doden. Het land ten noorden van de toekomst is geen hoger rijk van de idee maar het tegendeel, een onderwereld. De dood is bij Heidegger de laatste grens van het ontwerpend bestaan, een grens die ons de eindigheid van het bestaan te binnen brengt en er een laatste ernst en zin aan geeft: de dood intensiveert het leven.’

visser net

Theo de Boer meent dat het gedicht een herdenkingsgedicht is en dat de ‘jij’ in het gedicht Celans moeder is. Volgens mij heeft de Boer het mis. Dit gedicht gaat niet over de dode moeder, het gaat over ons, levenden. Volgens mij schreef Celan poëzie omdat hij van woorden iets verwachtte – een antwoord – niet van doden, maar van levenden. De Holocaust is het centrale thema in zijn poëzie en er zijn gedichten waarin hij de doden, in het bijzonder zijn moeder, herdenkt. Hij heeft in brieven gezegd dat enkele gedichten letterlijk als graven voor zijn ouders gelezen moesten worden omdat zij nooit een graf kregen.

Hij schreef in zijn moedertaal, het Duits, omdat hij de vermoorden een plek wilde geven en aanwezig wilde laten zijn in de Duitse taal. Een taal die besmet was geraakt door de nazi-ideologie. Dat betekende dat hij op zoek moest naar nieuwe woorden en begrippen. Dit bracht hem bij de filosoof Heidegger in wiens idioom hij nieuwe begrippen vond. Maar hij wilde ook afstand bewaren tot de filosoof, vanwege diens Hitler-sympathie in 1933.

Atemwende_Celan

Mogelijk was Ademkeer zelfs persoonlijk gericht tot Heidegger, wiens filosofie voor Celan problematisch was omdat hij in de dood helemaal geen ernst of een oproep tot zin kon zien, maar vooral duivelse waanzin. Hij bezocht de filosoof eens en wilde met hem van gedachten wisselen over de Nazi-tijd. Helaas wilde Heidegger er niet over praten. De cultuurfilosoof George Steiner zegt hierover: ‘Heideggers zwijgen behoort tot het meest geladen en verontrustende in de geschiedenis van de westerse filosofie en het onderwijs. Voor zover wij kunnen nagaan is dat antwoord niet gekomen. Het denken antwoordde het hart met een onmenselijke sprakeloosheid.’ (in: George Steiner, Heeft waarheid een toekomst? 1991)

Andere filosofen, zoals Hannah Arendt, en ook Peter Sloterdijk, benadrukken dat het bestaan niet vanuit de eindigheid maar eerder vanuit ‘begonnenheid’ en geboorte dient te worden gedacht.

Theo de Boer meent dat het ‘land’ ten noorden van de toekomst een dodenrijk is. Maar in het gedicht wordt niet van land gesproken, wel van RIVIEREN. Mogelijk is het beeld van rivieren ontleend aan de rivieren die door het paradijs stroomden, de plek waar de mens volgens het mythische scheppingsgedicht ‘ontstond’. Celan gebruikte vaak beelden uit de Joodse literatuur. Het paradijs was tevens de plek waar taal werd geboren omdat de mens namen gaf aan planten, dieren en dingen. Zonder stromend water is er geen leven mogelijk. Zonder taal wordt geen gedicht geboren.

De RIVIEREN van Celan zijn als de TALEN waarin begrip tot stand komt. Ze stromen ten noorden van de toekomst. Dit betekent dat de toekomst koud geworden is. Wie de toekomst alleen zonnig ziet, is volgens Celan naïef. Als er geen goed begrip is, geen woorden zijn voor het duivelse dat realiteit was, zal het leed voor niets geweest zijn en blijft het kwaad een verborgen realiteit. De actualiteit van Celans poëzie is actueler dan ooit, zeker als je bedenkt dat het paradijs traditioneel werd gesitueerd in het gebied waar nu Islamitische Staat actief is.

IN DEN FLÜSSEN nördlich der Zukunft – we zouden ook kunnen lezen: In de rivieren ten zuiden van het heden – werpt het ich zijn net uit. Celan wierp het net in de Duitse taal, een taal die voor velen iets unheimlichs had. De dichter werpt het net uit en vist naar antwoorden. Hij verwacht stemmen te zullen horen, woorden die hem aanspreken.

Vangt hij wat? Nee, niet echt. Toch is hij niet alleen, er is iemand bij hem, een twijfelende ‘jij’ die hem helpt het net te verzwaren met stenen zodat het net diepgang krijgt. Of nee, niet stenen, maar de schaduwen (van de stenen) zijn het die het net verzwaren, schaduwen door de stenen ‘geschreven.’ Schaduwen die een net verzwaren? Werkt dat? Het is alsof Celan hier Heidegger het verwijt maakt dat de essentie van diens filosofische jargon zielloos blijft – dat diens woorden afschaduwingen zijn van levenloze stenen.

Is er toekomst voor een wereld waarin stenen als leidend principe gelden voor een zinnig bestaan – zoals Theo de Boer met zijn verwijzing naar Heidegger en de dood meent? Ik neem geen genoegen met stenen en schaduwen. In Celans gedichten klinkt een ander geluid door dat exemplarisch is – niet alleen voor het geluid van vermoorde joden. Ik hoor ook stemmen van geketenden die naar de overkant werden gevaren omdat ze zwarten waren. Of stemmen van kinderen in fabrieken waar ze de harteloosheid van volwassenen ondergaan omdat ze kinderen zijn. In Celans poëzie kan iemand deze stemmen gewaar worden.

1840_turner_slaveshipOp het schilderij Het Slavenschip van William Turner (1775-1851) is te zien hoe slaven overboord werden gegooid omdat hun eigenaar het verzekeringsgeld wilde innen van zijn lading. Het is een ander voorbeeld van kunst waarin naar stemmen wordt gevist.

Helaas slaagde Celan er niet in levensvatbare taal boven water te krijgen. De stenen bleven stenen, schaduwen schaduwen. Hij pleegde zelfmoord, verdronk zich in de Seine. Maar de poëzie die hij schreef is actueler dan ooit als we zien wat er tegenwoordig in Syrië en Irak gebeurt ‘ten zuiden van het heden.’

Met zulke beelden voor ogen zou ik iets onmogelijks willen ontwerpen, ik zou bijvoorbeeld willen dat stenen niet schaduwen, maar licht schreven. En dat met dit licht onverdronken stemmen werden opgevist. Of dat de jij iemand is die niet twijfelt, maar treuzelt, totdat… jawel, er een woord van herkenning klinkt, ’t begin van een gesprek. Langzaam maar zeker zou er dan een geroezemoes kunnen ontstaan, als van stromend water. Echt onmogelijk is dit overigens niet, want woorden kunnen verdrinken maar de zielen die zij herbergen knopen het net.

celan_foto