Bossche ode op JZ

 

 

van spraakmakers pallet

slingeren niet mis

te verstane klodders

 

verf

kletst

 

op muren ramen deuren

monden

 

tegen schaduwloze

taal

uit de boom gevallen

eenden drijven in

blauwe vulliszakken

 

geen nood, hoera! daar huist ook

wolk breuk je navel streng

te pronk aan de kraaiende kimme

vist hoofdstedelijke o gen op

uit diepgezwommen gr88888888

 

en scheert ze met de al gen krabber

 

ik schrijft er m’n brieven mee:

– ik houd, zij houdt, wij houten

echt

en hemelsbreed vindt elke brief

de weg terug naar eigen nest

waar hooggetande steunpilaren

in blauw hun afscheid koeren

 

doet iemand ertoe

die met de deur in

en verf smijt, af-

schraapt, de vracht 

bevraagt, zich

schuwend afvraagt

waar de kwast

wiens hand

het pallet

hoe de duim

te bevragen

 

wie schoot op straten

van kinderhoofdjes

de pijl af en spreidde

haar beenderen

 

Hjir lykwols

zoenen blote voeten

knekelgraag een karrenspoor

naar ’t zôajn

dat aan vallende wijzers

gehangen

oren betrekt, polsend

op handen zijnde bedes

 

wees dan jij

dintelende sprinkelinge

wis, zon o wonder

het licht