De versierde boom

Hel, dacht ik na ’t lezen van het nieuwste boek van filosoof Peter Sloterdijk. Ik volg hem al 20 jaar en weet dat hij de Westerse cultuur kritisch tegen het licht houdt. De laatste tijd merk ik dat de stemming in zijn boeken er niet beter op wordt. Zijn laatste boek ‘De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd,’ slaat echt alles. Niet eerder las ik van hem zo’n deprimerend boek.

1 INTRODUCTIE

omslag boek

Rode draad in zijn boek is de gedachte dat de generatiewisselingen de zwakke schakels zijn van een cultuur. Elke volgende generatie maakt zich de cultuur weer eigen, of doet dat niet, of verzet zich er tegen. Sloterdijk wil aandacht voor de houding van verzet die zijns inziens kenmerkend is voor het Westen. Vanaf 1400 tot 2000 zijn er ongeveer 20 generatiewisselingen geweest. Twintig keer heeft er een wisseling plaatsgevonden van een vader op een zoon. Hoe verliepen die wisselingen en waartoe hebben ze geleid? ‘We bevinden ons in een vliegtuig dat op 10 km hoogte verbouwd moet worden…’ luidt zijn conclusie. We staan er dus hopeloos slecht voor. Bijvoorbeeld het verdwijnen van mannelijke onderwijzers in het basisonderwijs vindt hij alarmerend. Zonen leren amper nog iets persoonlijks van hun vaders. Dit was niet altijd zo, maar sinds de opkomst van het Christendom devalueerde de waarde van het vaderschap en kwam de cultuur terecht in het vaarwater van ongeduldige, rebellerende zonen die hun heil zoeken bij een ‘hemelse’ vader.

Zoals gebruikelijk passeert in Sloterdijks boeken een bonte verzameling historische figuren de revue. Hij gaat van start met een uitspraak gedaan in 1757 door Madame de Pompadour: ‘Na ons de zondvloed.’ Zij was de eerste die openlijk zei wat tegenwoordig de algemene gedachte is. Als meisje had ze zich voorgenomen te trouwen met de koning. En dankzij wilskracht, charme en intelligentie en een flinke dosis geluk, gebeurde dit ook. Op een avond meldt een generaal dat een grote veldslag is verloren. En dan flapt ze het eruit.

Madame_de_Pompadour

Madamme de Pompadour, de ‘material girl’ van haar tijd, had zich een persoonlijk levensdoel gesteld: ze wilde beroemd worden. Toen dat doel was bereikt, deed de toekomst er niet meer toe. Zij was, om met Nietzsche te spreken, een ‘laatste mens’. Dat wil zeggen, iemand die in het nu leeft en zich als doel heeft gesteld het leven te consumeren. En dan moet elke generatie het zelf maar zien te rooien.

Consumentisme en cultuuroverdracht gaan slecht samen. Een samenleving die op consumentisme is gefundeerd, lijdt aan zelfverwennerij en eet zichzelf op. Is het consument-zijn (klantwaarde) de enige waarde, dan verliest een samenleving haar weerstand en verziekt. Zonder gedeelde visie op werkelijke culturele waarden is een samenleving niet in staat om mensen te binden en komt er samen niets tot stand.

Filosofie en kunst

Sloterdijks pessimistische diagnose sluit aan bij de hellebeelden die Jeroen Bosch 500 jaar geleden schilderde. Bosch schilderde een mensheid die aan ijdele wensdromen en slechte karaktertrekken te gronde gaat. Met de blik van Sloterdijk is in Bosch’ hellebeelden een voorafspiegeling te zien van een wereld waarin consumenten de dienst uitmaken. Met hels plezier leven ze zich uit op – ja, op wie eigenlijk?

hel

De actuele schrikbeelden van Sloterdijk lieten me niet los. Noemde Nietzsche zijn filosofie eens dynamiet, Sloterdijk ontpopt zich als een meteoriet. Hem lezend waande ik me tussen de hellegedrochten van Bosch en hoorde ik in gedachten het intro van Wagners Tristan und Isolde, uit de film ‘Melancholia’ van Lars von Trier. Tijdens het lezen had ik het gevoel dat het licht van twee kanten kwam en dat ik er tussen gevangen zat. Het was alsof ik van twee kanten tegen het licht gehouden werd. Toen ik het boek uit had, wist ik niet waar ik het zoeken moest. Wat kon ik doen? Bovendien bleek de filosoof die ik bewonderde het zelf ook niet te weten. Het beste wat ik kon verzinnen, was het boek weer induiken en het gewoon nog een keer lezen.

Een versierde boom

Terwijl ik de dagen lezend doorbracht verloren de bomen hun groen en zwichtte het licht voor de zwârtekracht. Bij mij groeide intussen het verlangen naar de boom. Een boom met lichtjes, ballen, toeters en bellen, vogeltjes en wat niet al. Elk jaar in de zomervakantie kopen we iets voor in de boom. Er is een kever uit de hortus van New York, een spiegeltje uit Damme, kinderkopjes uit Berlijn, de Big Ben uit Londen, een gansje uit Kopenhagen, en niet te vergeten de engel & kerstduivel die mijn zoon tekende toen hij zeven was.  Onze boom is een eigen herinneringsboom. Tijdens het ophangen van de breekbare herinneringen zeggen we dingen als: ‘Goh, weet je nog, toen in Wenen?’

kerst Floor

Onze boom heeft eigenlijk weinig met Kerst te maken, het is geen traditionele ‘kerstboom’. Hij is ook niet een Vrijheidsboom, zo eentje waaronder de patriotten in 1795 hun vrijheid, gelijkheid & broederschap vierden. Noch is het een Bevrijdingsboom, zoals er in Nederland in mei 1945 werden geplant. En evenmin is het een dodenherdenkingsboom, tegenwoordig te zien op zogenaamde kerst-evenementenpleinen: een hoge den behangen met foto’s van overledenen en teksten als: ‘We houden van je, tot ziens in de Hemel.’

vrijheidsboom 1795bevrijdingsboom 1945

 

Terwijl ik het boek nog een keer las, met ondertussen dat verlangen naar de boom, bedacht ik dat ik toch iets wilde schrijven over Kerst. Ik nam me voor om dit jaar de vraag naar de vraag van kerst te stellen. Deze formulering kies ik bewust zo, om te voorkomen dat je bij de vraag naar kerst al afhaakt, want we zijn tegenwoordig meer geïnteresseerd in de vraag.

De vraag stellen

Een vraag van stal halen, betekent ook een route plannen waarlangs de vraag zich zal bewegen. Zomaar een vraag stellen, is niet iets waar iemand plezier aan beleeft, tenzij je Hans Teeuwen heet en je de boomvraag op dadaïstische wijze stelt, waarbij de vraagsteller in zijn onderbroek staat.

stalkroeg

Mijn dwaalroute heeft iets weg van het warrig wortelgestel van een boom. Via Sloterdijks verschrikkelijke kinderen van de moderne tijd, dacht ik aan de hel van Bosch – meer specifiek: ik belandde bij diens boommens die eigenlijk een kroeg is in de hel. Vanuit deze kerstherberg trok ik verder, omdat er voor mij geen plaats was. Kroegen zat, dus was het Christuskind in onze tijd geboren, was hij echt niet geboren in een stal. Dit leek mij een feit waarvan Bosch al een vermoeden had, want zijn Christuskind bevindt zich niet in de stal, maar er buiten. De kerststal is bevolkt door types die schijnen te denken dat het altijd carnaval is. Bosch schildert het kind buiten de stal, niet erin.

Terrorisme

terrorist

Mijn dwalende houtweg is het sluitstuk van een expeditie die ik startte met de 1e blog over Jeroen Bosch. Ik schreef toen: ‘Het schilderij De Tuin der Lusten van Jeroen Bosch zal fungeren als basiskamp voor het vinden van humane waarden.’

Een vrijblijvende uitwisseling van meningen mocht het niet worden, want zulke wandelingetjes hadden volgens mij juist tot de situatie geleid dat achter elke boom een terrorist schuil kon gaan. Mijn angst dat vrijblijvendheid veel terrein zou winnen en een islamitisch terrorisme het uitgangspunt zou worden voor het denken over vrijheid, werd in het afgelopen jaar bewaarheid. Demonstraties en eensgezinde acties op straat die als bezielend werden ervaren, vinden al niet eens meer plaats. De straat wordt meer en meer een zwijgende podium van de angst voor terrorisme.

Ik verdiepte mij in het werk van Jeroen Bosch omdat ik dacht dat zijn werk actualiteitswaarde had. Ik vermoedde dat zijn schilderijen mij konden helpen om zicht te krijgen op het woord ‘bezieling’. Wie schetste mijn verbazing toen ik zag dat Sloterdijk in zijn recente boek De Verschrikkelijke Kinderen, ook een drieluik maakt?

Net als Bosch houdt Sloterdijk mij een spiegel voor. In zijn spiegel zijn vaders te zien. Vaders die veranderen in zonen. En hun zonen veranderen in terroristen. Sloterdijk constateert in de opvoeding een neerwaartse spiraal omdat de vaders geen vaders meer zijn.

boddyboom

De wisselwerking tussen deze filosoof en de schilder Jeroen Bosch, leidde bij mij tot schimgesprekken. Gesprekken die me van de boommens van Bosch brachten naar de wonderlijke boom ‘Le voix du sang,’ van René Magritte. Bij die boom stelde ik Sloterdijk een vaderlijke vraag. Hoe het daarna verder ging? Mijn schrijfproject ‘Zielig of bezield’, loopt met dit essay ten einde. Vooraf had ik me voorgenomen om ook de standpunten van enkele theologen te onderzoeken. Echter, toen ik me in hun werk inlas, merkte ik dat hun geloof geen hout snijdt. Voor een theoloog geldt hetzelfde als voor iedereen: ‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.’

Mijn expeditie, een jaar geleden begonnen, eindigt onder een boom. Zo’n finale doet denken aan de Boeddha die onder zijn Bodhiboom een bevrijdend inzicht had. Ik waag echter vraagtekens te plaatsen achter het ‘bevrijdende’ van Boeddha’s ervaring.

2 PETER SLOTERDIJK

Het bomige

Een vraag die ik in dit kerstessay beantwoord, is deze: Hoe komt het dat Sloterdijk, na het zien van de Wonderboom van Magritte, tóch zijn treurige boek ‘De verschrikkelijke kinderen’ schreef? Is dit misschien omdat hij wist dat mijn jeugdheld Tarzan eigenlijk Johnny Weiβmüller heette en een Amerikaanse zwemkampioen was? Of is het omdat hij in de ban is geraakt van Darth Vader? Of is hij verslaafd geraakt aan de Godfather-trilogie?

godfather

darth vadertarzan_jane-e1364156533769

 

 

 

 

 

 

Hoe dan ook, ik begin dit essay met de boommens in de hel van Bosch. Van daaruit gaat het via rare bouwsels op het middenpaneel van de Tuin der Lusten naar de boom van René Magritte. Sloterdijk stond in zijn boek ‘Sferen’ al eens stil bij deze Wunderbaum en hij zag er iets troostrijks in. Het ‘bomige’ is blijkbaar iets dat tot de verbeelding spreekt en inspireert. Zelf las ik dit jaar de vegetatieve filosofie ‘Plantaardig’ van Oudemans & Peeters en ik schreef erover in mijn 8e blog ‘Door de bomen ’t Bosch’ en ik experimenteerde met een plantaardig bezielde taal.

boomgezicht

Bij Sloterdijk gaat het er een stuk serieuzer aan toe. Hij gebruikt de boom als metafoor voor onze cultuur en benadrukt dat cultuur alleen overleeft als woorden zoals afstamming, stamhouders, stamboom en veredeling betekenis hebben. Cultuur was eens het geschikt maken van de grond voor bebouwing. Cultuur nu schaaft aan mensen en maakt ze geschikt voor het samen leven. Het bomige staat voor imposante groei. De ene boom is de andere niet, ze kunnen ziek worden en dood gaan. Ze groeien bovendien niet tot in de hemel. Een duurzame cultuur betekent iets kweken en verzorgen dat immuun is voor ziekten en dat je trots maakt omdat je er deel van uitmaakt. Bomigheid betekent dat er genealogische verschillen zijn die benut worden.

Het bomige is niet iets nieuws bij Sloterdijk. In het voorwoord van zijn magnum opus ‘De kritiek van de cynische rede’ (1981) zegt hij: ’De droom die ik achterna loop is de stervende boom van de filosofie nog één keer te zien bloeien – met bloesems zonder teleurstelling, bezaaid met bizarre bloemgedachten.’ En verderop in hetzelfde werk (hoofdstuk 3.7. ‘De kritiek van de natuurlijke schijn) verzucht hij: ‘Nu worden de kinderen dragers van de burgerlijke verwachting van een betere wereld, van een meer menselijke maatschappij. () De manier waarop de traditionele eerzucht in de burgerlijke ouder-kind-relatie tegenwoordig aan het veranderen is, zou een onderwerp voor een afzonderlijke studie zijn.’ Het lijkt er sterk op dat zijn boek ‘De verschrikkelijke kinderen’ precies de studie is die hij 35 jaar geleden geschreven had willen zien.

Het bomige klinkt ook door in de titel van zijn roman ‘Der Zauberbaum.’ (1985) En het komt in zijn ‘Regels voor het mensenpark’ (1999) ter sprake, hij doet daar ferme uitspraken over genealogische verschillen. Ik citeer: ‘Nietzsches achterdocht tegen alle humanistische cultuur is erop gericht het geheim van de domesticatie van de mensheid te ontsluieren. Hij wil de bestaande bezitters van de teeltmonopolies – de priesters en leraren, die zich als vrienden van de mensheid presenteren – bij hun naam en hun verzwegen functie noemen en een, wereldhistorische gezien, nieuw soort strijd tussen verschillende telers en verschillende teeltprogramma’s op gang brengen.’ Frappant tenslotte is, dat in Nederland zijn boeken nu worden uitgebracht door uitgeverij Boom – voorheen door SUN en de Arbeiderspers.

Samenleving over de tong

vogelmonster

De sfeer in de samenleving proeven is iets dat Sloterdijk bij voorkeur doet. Hij proeft, maar de samenleving proeft zelf ook. Het ‘huidige’ van de samenleving is in letterlijke èn figuurlijke zin te verstaan: de tijd is de huid van een levende cultuur. Een samenleving die niet leeft, is een levenloos proces of systeem. Ik gebruik expres de woorden cultuur en samenleven door elkaar, want cultuur en samen leven zijn niet te scheiden. Het uit elkaar halen ervan – alsof cultuur zelfstandig zou kunnen bestaan (een veronderstelling waar godsdiensten hun bestaan aan ontlenen) – als iets dat boven het leven om, of er bovenuit gaat – is absurd. Bij een samenleving die uitsluitend is gericht op consumptie, doemt het spookbeeld op van een cultuur die zijn klanten verorbert. Als vanzelf denk je dan aan het vogelmonster uit de hel van Jeroen Bosch. (Of aan de Saturnus van Francisco Goya (1746-1828) – een groot bewonderaar van Bosch, te zien in mijn 8e Blog: Door de bomen ’t Bosch).

Er zijn op voorhand twee kritische vragen te stellen aan Sloterdijk en Bosch. Aan Sloterdijk is te vragen of  ‘t huidige van zijn tong en de tijdigheid van de samenleving überhaupt wel raakvlakken hebben. Als we er vanuit gaan dat goede smaak als fundering geldt voor het tijdigen van het samen leven, hoe kunnen we dan op Sloterdijks smaak vertrouwen, hoe weten we dat hij goed proeft? Deze vraag is van belang als we met hem een smaakvol alternatief willen vinden voor het schrokkende consumentisme. Aan Jeroen Bosch zou te vragen zijn of hij soms dacht dat een samenleving uitsluitend uit schilders moet bestaan. Zijn hel staat namelijk vol muziekinstrumenten die als martelwerktuigen dienst doen. Een schilder met palet en verfkwasten is er de grote afwezige.

Psychologie

sloterdijksigaar

Zoals Freud honderd jaar geleden het driftleven aanwees als de blinde vlek van rationele mensen, zo legt Sloterdijk de vinger op wat hij ziet als de zwakke schakel van de ‘verlichte’ samenleving. Freud ontwierp een theorie van het driftleven en scheepte de mens op met een erotische bezetenheid. Hij bestialiseerde daarmee de mens als het ware. Sloterdijk psychologiseert op een andere manier. Hij laat zien dat een mens niet, zoals Freud dacht, behept is met uniforme oedipale driften. En evenmin is de mens, zoals Karl Marx wilde, uniform in zijn arbeidspotentie en klassenbewustzijn.

In geen enkele samenleving zijn mensen aan elkaar gelijk. En omgekeerd is de menselijke existentie niet te definiëren als pure individualiteit (ik-heid), zoals Max Stirner dacht in ‘Der Einzige und sein Eigentum (1845), of zoals Kierkegaard meende in zijn christelijke existentiefilosofie. Pure individualiteit is een fictie. Sloterdijks analyse snijdt hiermee aan twee kanten en legt het volgende bloot: een op socialistische principes gebaseerd rechtvaardigheids- en saamhorigheidscultuur is passé. En een consumptief liberaal individualisme, dat meent de wereld met een mobieltje onder handbereik te hebben, houdt een samenleving niet overeind.

Bemenselijking

Het mag duidelijk zijn dat woorden als menselijkheid of humaniteit weinig soelaas bieden. Sloterdijk vraagt zich juist af of humaniteit überhaupt wel iets betekent. Humaniteit is een corrupt woord, het wordt te pas en te onpas gebruikt – meestal om mensen ergens voor op de been te krijgen, of om geld in te zamelen voor een bepaald doel. Met het woord humaniteit is weinig aan te vangen voor individuen met een meer dan gemiddelde intelligentie. Sloterdijk zoekt het antwoord in wat ‘bemenselijking’ is te noemen. Het bemenselijken van een samenleving houdt verband met de manier waarop iemand zich als mens legitimeert. Bemenselijking: Dat is je leven niet verstaan als het beleven van je driften (lustbeleving), noch als een je uitleven in je werk (arbeidsethos). Bemenselijking is ook niet een collectieve zelfhypnose met woorden als ‘vrijheid’ en ‘klantwaarde’ en ‘duurzaamheid.’ Wat is het dan wel?

Bemenselijking is het koesteren van een mentaliteit. Zo’n mentaliteit zou een geloof kunnen heten, ware het niet dat onder dit woord meestal wordt verstaan: iets voor waar houden. Geloof in de zin van bemenselijking is eerder nietzscheaans te verstaan als: een ‘belofte’ doen. Een mens is mens als hij zichzelf en een ander iets kan en wil beloven. Fundamenteel voor een samenleving is het kunnen koesteren en vieren van beloften. Gevierd wordt er tegenwoordig veel, beloofd wordt er weinig en een belofte houden gebeurt zelden.

Het woordje ‘iets’ verdient hier enige aandacht. Het klinkt wel eens wanneer iemand antwoord geeft op de vraag of hij in god gelooft. Het antwoord luidt vaak: ‘Ik geloof wel dat er ‘iets’ is. Dat ‘iets’ is te duiden als een vorm van fatsoen – iemand wil de vraagsteller toch iets antwoorden. Maar het kan ook zijn dat diegene liever niet de n uitspreekt die hij in gedachten heeft, omdat hij het antwoord ‘niets’ te ongemakkelijk vindt. Iets, of niets? Dat is de vraag. Persoonlijk spreek ik liever van een ziel, omdat ik het ‘iets’ te nietszeggend vind. Mijn keuze voor het woord ‘ziel’ impliceert dat ik ‘iets’ over die ziel moet zeggen. Aan de hand van Nietzsche luidt de vraag dan: wat is ‘t wat iemand ertoe brengt iets te beloven?

roerdomp

Samen leven gaat niet zonder beloften – en ’t waarmaken ervan. Maar het gaat ook niet zonder het koesteren van het ‘iets’ waar iemand aan gehecht is en dat hem aan z’n belofte(n) houdt. Zonder koestering van dit ‘iets’ verwordt een samenleving tot zoiets als een roerdomp uit Bosch’ schilderij ‘De verzoeking van Sint Antonius’: een samenleving als een wezen dat zijn eigen kroost opslokt.

Sloterdijk ontleedt en analyseert de Europese cultuur en doet suggesties. Directe antwoorden geeft hij niet, hij houdt ruimte voor discussie. Ik zal zijn kritiek weergeven door een indeling te maken op de volgende vier terreinen: politiek, kunst, religie en filosofie. Zijn gedachten interpreteer ik vrij en verweef ze met de mijne.

Moderne politiek

Politiek beleid is verworden tot prutswerk. Iets deugdelijks tot stand brengen in politieke zin is onmogelijk, het nemen van besluiten is een voortdurend reageren achteraf. Onder het mom van vooruitgang boert de samenleving achteruit en bevindt zich nu in een labiele situatie waarin de symmetrie tussen problemen en oplossingen verder wordt uitgehold. Regeringen zijn hun grip op de realiteit kwijt omdat ze zelf in de greep zijn van het populisme. Een politicus is geen leider, maar een praatjesmaker en  toneelspeler die voor de bühne weinig anders doet dan achteraf goed praten wat er eerder is misgegaan. Eigenlijk willen publiek & media het ook niet anders, want men heeft een voorkeur voor leedvermaak. Aan leiders die handelen en zeggen waar het op staat, heeft men een broertje dood.

Hedendaagse kunst

the-rules-of-dada

De geboortedatum van de moderne kunst is 5 februari 1916. Op die dag werd de dadabeweging opgericht. Sinds dada is de kunst een spel op een improvisatiepodium. Het dadaïsme weigert het traditionele te kopiëren. Het is een weigering uit protest tegen de miljoenen zinloze doden op de slachtvelden van de Eerste Wereldoorlog. Dadaïsme is de kunstzinnige serieusheidsweigering van cultuurdeserteurs die de Oud Europese zinverlenigssystemen opbliezen. Hun uitgangspunt is een ‘je vrolijk maken’ over de brave burgercultuur die gewoon op de oude voet verder wil gaan. Dada is anti-elitair. Met dada meedoen kan iedereen, belangrijk worden kan niemand meer. Kort na de opkomst van Dada ontstond de politieke tegenbeweging van de ernstnemerij die culmineerde in de Hitler- en Stalin-cultus.

Moderne kunst kenmerkt zich sinds 1916 als de individuele drang tot expressie die voortdurend breekt met het voorgaande. Zodoende kan moderne kunst niet meer bijdragen tot het doorgeven van waarden, want ze ziet het vitale niet in het kopiëren, maar zoekt het in een voortdurend er-mee-breken. Dit breken-met is een doel in zichzelf geworden en leidt tot een uitgeholde kunst die is gericht op een steeds dunner wordend uiterlijk vertoon.

Religie.

Sloterdijk houdt het christendom verantwoordelijk voor het culturele afbraakbeleid. Hij houdt het als het ware tegen het licht zoals iemand een bebroed ei bij een schouwlamp houdt. Als hij ‘t voor de lamp houdt, schijnt het licht er doorheen. Er zit niets in, doorbroeden heeft dus geen zin. Het moge duidelijk zijn dat het Sloterdijk om de inhoud te doen is. In zijn boek ‘Je moet je leven veranderen,’ richtte hij zijn pijlen al op het fenomeen religie. Hij ziet een religie niet als iets substantieels, maar als een oefenprogramma, hooguit geschikt voor mensen die op een tweedehands manier hun leven willen verbeteren. En de christelijke traditie? Die vraag is ook anders te stellen: waaraan danken we de geboorte van een god in een veevoerbak?

christendom-adameneva

Er heeft een duidelijke verandering plaatsgevonden in het denken van Sloterdijk. Sprak hij in ‘De kritiek van de cynische rede’ nog met waardering over de figuur Jezus – hij zag in diens programma overeenkomsten met dat van de Griekse wijsgeer Diogenes – nu is die waardering verdwenen en hij schets het volgende beeld: De volwassen Jesjua ben Jozef brak resoluut met de traditie waarin hij opgroeide. Hij was iemand die geen band met zijn vader had en dit verklaart ook het revolutionaire gedachtegoed. Jesjua en zijn navolgers zochten hun heil bij een Absolute vader in de hemelen. De psychologie van het christendom is dat zonen geen aansluiting kunnen vinden bij hun vaders. Jesjua maakt van de breuk met z’n vader een ereplicht en zegt letterlijk: ‘En u zult niemand op aarde vader noemen, want één is uw vader: die in de hemel is.’ Deze tekst uit Math. 23 leest Sloterdijk als een authentieke uitspraak van Jesjua. De navolgers zadelen hun zonen op met de morele plicht een hemelse vader meer lief te hebben dan hun aardse verwekker. Het normale vaderschap is daarmee gedevalueerd. Een godsbeeld van een Vader & Zoon die Eén zijn (in God is geen generatiekloof) wordt zo het exotische ideaalbeeld.

In het woord ‘tegenwoordig’ kan worden beluisterd wat Sloterdijk bedoelt. Tegen woordig is te verstaan als een ‘nu’ dat tegen ’t woordige in gaat. Dit betekent dat het denken over het huidige iets is geworden dat indruist tegen het woordige. We horen dit amper, omdat we allang aan dat ‘tegen’ gewend zijn geraakt. (In Nederland is het beluisteren van woorden sowieso lastig, het vertrouwen in taal is gering. Dit komt mede door taalkundigen die het interessant vinden om na elke generatie de spelling op zijn kop te zetten.)

Vaders en zonen

Het begrip verzoening in de christelijke theologie is eigenlijk een ‘verzoonlijking’. Het spoor dat de verzoonlijking heeft nagelaten in de Westerse cultuurgeschiedenis, is goed te volgen. Wie bijvoorbeeld luistert naar wat Augustinus (354-430) zegt over de erfzonde, hoort iemands onmacht om van zijn eigen vader te houden. Een onmacht die in het dogma van de erfzonde noodlottig is verabsoluteerd. Het geheim van het christendom is dat er geen vaders, maar uitsluitend gefrustreerde zonen in aan het woord zijn. Dit maakt het christendom fnuikend voor de overdracht van waarden. In plaats van de afstand tussen vaders en zonen te overbruggen, vergroot het christendom deze. De kwetsbare relatie tussen vaders en zonen wordt niet begrepen, maar opgehemeld tot een godsbeeld van de Vader & Zoon die Eén zijn. Kerkvaders en pausen zijn geen echte vaders maar ondernemingen die profiteren van de ontkenning van het vader-zoon probleem. Opstandige zonen zijn het, roekelozen die het in de bol geslagen is. Zij hebben het normale vaderschap gedegradeerd en het woord vader opgeblazen tot iets buitensporigs.

Sloterdijk noemt in dit verband de Islam niet. Maar het verhaal wil dat Mohammeds verwekker al was overleden voordat zijn zoon geboren was. En dat bevestigt zijn theorie zeker. Waar de christelijke theologie zich nog rekenschap geeft van de vraag naar het vaderschap, daar ontbreekt deze vraag in de Islam.

Het bomige

In zijn analyse van religie noemt Sloterdijk het ‘bomige’ niet. Dat doet hij wel als hij de filosofie bespreekt. Ik noem daarom zelf enkele voorbeelden die bevestigen dat de boom in de Bijbelse literatuur een ondergewaardeerd element is. Ondergewaardeerd omdat niet het bomige, maar het zogenaamde menselijke of humane het vertrekpunt is. Het bomige, dat wat op een natuurlijke wijze bestendig is en vast, is iets waar bijbelredacteuren niet graag over spreken. In het scheppingsverhaal worden twee bomen genoemd: de boom van kennis van goed en kwaad en de boom des levens. Het joodse scheppingsverhaal is geworteld in de veronderstelling dat de lezer iemand is die jaloers is op de onsterfelijkheid van zijn godheid (een jaloezie die later in het christendom binnenstebuiten wordt gekeerd). In Jesaja 11 is sprake van een omgehakte boom, een tronk waaruit een klein rijsje groeit. Abraham plant bomen terwijl hij eigenlijk verder moest reizen. Jona’s boom gaat dood. Jezus vervloekt een boom. Kortom: bomen als symbolen van een verankerd leven, vinden geen genade in de ogen van bijbelredacteuren. (Liever richt men stenen op, of gooit ermee). In de christelijke symboliek verdwijnt de boom achter het symbool van het kruis. Stond in oud-germaanse en keltische scheppingsmyten de levenskracht van de boom als funderend element centraal, in de christelijke symboliek is de boom vervangen door een moraal van het houten kruis.

Filosofie

Wie de term ‘transparantie,’ die tegenwoordig in veel beleidsnota’s wordt gebezigd, tegen het licht houdt, ziet al snel dat zo’n woord weinig om het lijf heeft. Eerlijkheid zou een beter woord zijn, omdat de vraag naar de inhoud dan mee klinkt. Eerlijkheid verwijst naar eervol. En ‘vrijheid,’ ook zo’n modewoord. Vrijheid wordt al niet meer tegen het licht gehouden sinds het, na de Verlichting, van zichzelf is gaan stralen. Nietzsche wees erop dat een mens zich dient af te vragen wat hij kan beloven. En belofte maakt schuld. Het lijkt erop dat de moderne mens liever schuldenvrij door het leven gaat en dus niets meer wil beloven.

Hoe filosofen elke belofte weigeren, besprak Sloterdijk al in zijn boek ‘Je zult je leven veranderen.’ Het waren Wittgenstein en Foucault die er van langs kregen. Wittgenstein omdat hij zich als schoolmeester verschool op het platteland. Foucault vanwege drie zelfmoordpogingen. En nu moet Plato het ontgelden. Deze ‘vader’ van de westerse filosofie eigende zich via Socrates een schijnvader toe en riep een ideeënwereld op die het christendom tot hemel zou verbouwen. Plato & Socrates zijn het prototype van de onechte vader-zoon relatie. Plato verzon Socrates als zijn literaire vader omdat hij zich niet tot zijn echte vader wist te verhouden.

Hoe de mismatch van vaders en zonen in de modern filosofie tot mislukte gedachtenconstructies leidt, laat Sloterdijk zien met het werk van Deleuze en Guattari. Hun ‘Anti-Oedipus’ en ‘Kapitalisme en schizofrenie’ (1972) was een pleidooi voor een ‘nomadische subjectiviteit’. Deleuze bekritiseert de schrijver Kafka (Kafka, Toward a Minor Literature, 1975). Deze schrijver zou zich ondergeschikt hebben gemaakt aan familieverhoudingen. De moderne mens en de goede schrijver behoren zich volgens Deleuze niet meer bezig te houden met familie, afstamming, of traditie. De zichzelf ontwikkelende mens hoort zich niet te binden omdat dit zijn ontplooiing belemmert in flexibele netwerken.

De_boom_en_het_rizoom-326x460

De filosofie van Deleuze heeft momenteel een grote invloed op het politiek-maatschappelijke denken en brengt daar het rizomatisch netwerkdenken in stelling. In een advies aan de overheid (De Boom en het Rizoom, 2010) staat deze zin: ‘Verbondenheid zonder samenhang is een belangrijk kenmerk van het rizoom. Er zit geen plan in, geen gedeeld doel en geen ‘zin’ of betekenis. () De samenleving is daarmee niet alleen ingewikkeld en moeilijk te overzien, maar ook niet te begrijpen en zinloos (zonder bedoelde betekenis).’

Sloterdijk is van mening dat dit rizomatische denken funest is omdat het niets tot stand brengt. Hij  concludeert: ‘Het nieuwe anarchisme is een antidendrologie. Met onmiddelijke ingang kun je de progressieve staats- en toestandsvijanden, de authentieke nomaden, kunstenaars en gebeurtenisproducenten herkennen aan hun boomvijandigheid.’ Hij stelt dat in Deleuzes filosofie, die zich afzet tegen het bestaande, de afstamming als zodanig de nieuwe erfzonde is geworden: ‘De tak moet zich losmaken van de stam en de zijloot wordt verklaard tot subject van een omwenteling. Revolutionaire kritiek uitoefenen betekent zich nuttig maken als boomlasteraar. De wereld van de theorie schakelt op grote schaal over van substantie op relatie.’

De rizomatische filosofie vergeet het bomige te denken (vergelijkbaar met het woord  humaniteit). Deleuze doet alsof het bedje van het rizoom al is gespreid en dat ik me vrij en blij in de netwerksamenleving kan ontwikkelen en daarin kan opgaan. Een titel als: ‘De Boom en het Rizoom’ rijmt lekker, maar wat als de boom eens omwaait? Een overheid die zich alleen baseert op het rizomatische netwerkdenken, zal bedrogen uitkomen. De foto van een majestueuze boom op de omslag is misleidend omdat de aanwezigheid van de boom wel wordt verondersteld, maar niet filosofisch is onderbouwd.

In het rapport staat nog een andere inconsistentie. Er wordt uitgegaan van de piramidestructuur van de overheid (p.12) Maar even verderop staat: ‘Als de samenleving een rizoom is, dan is de bureaucratie toch vooral een boom (p. 14).’ Kortom: de metafoor van een levenloos bouwwerk (piramide) wordt gelijkgesteld aan een levend organisme (boom). Deze verwisseling van het levenloze met iets levends is niet nieuw. Jeroen Bosch maakte er ook al gebruik van in het schilderij De tuin der lusten, zoals we nog zullen zien. Het rizomatische denken wekt al met al de indruk het resultaat te zijn van vluchtige gedachtenkronkels. Het streeft er niet naar een echt wortelend denken te willen zijn. Om het met de metafoor van kerst te verduidelijken: het rizoom-denken is als een kribbe gevuld met stro. Het stro vormt een schitterend grillig netwerk. Maar de kribbe blijft verder leeg.

De aap komt op p. 33 uit de mouw, als wordt gezegd: ‘Het zijn ongereguleerde ruimten waar (bij tijd en wijle onvriendelijke) strijd wordt gevoerd om schaarse middelen en conflicterende doelen. In die strijd gelden eerder de wetten van de straat, handigheid, impliciet vertrouwen en ondernemerschap.’ Met andere woorden: de rizomatische filosofie biedt geen garantie dat de samenleving niet zal veranderen in een corrupte maffiamaatschappij. Hiermee krijgt het rizoom iets van een spinnenweb waarvan de maker pas tevoorschijn komt als het voor de prooi te laat is.

Conclusie:

Sloterdijk neemt waar dat de overlevingskans van de cultuur klein is. Volgens hem is een belangrijke oorzaak de ontkenning van de kwetsbare relatie tussen vaders en zonen. In zekere zin beoefent Sloterdijk zelf ook een soort rizomatisch denken omdat hij de relatie tussen vaders en zonen als thema kiest. Het is dan ook opmerkelijk dat hij als oorzaak van de culturele malaise de rizomatische filosofie aanwijst en de overschakeling van een substantieel denken naar een relationeel denken. Hij vindt dat Deleuze het zoeken naar het ‘iets’ heeft opgegeven en het tot netwerk van het ‘alles’ heeft gemaakt. Ik ben het met Sloterdijk eens dat filosoferen dan haar uitdaging kwijt is. Het rizomatisch denken wil het einde van het ‘iets’ zijn en het begin zijn van ‘alles’. Wat moet je daar als filosoof mee? Anderzijds is Sloterdijk zelf niet erg expliciet over wat hij ziet als het substantiële. Hij noemt positieve voorbeelden van vader-zoon relaties uit de Romeinse tijd, en ook de brief van Kafka. Maar deze voorbeelden zijn te mager om echt overtuigend te kunnen zijn.

Sloterdijk persoonlijk

Sloterdijk is fel in zijn kritiek op het anti-boom denken en hij beoordeelt Kafka positief. Kafka’s  ‘Brief an den Vater’ (1919) is in zijn ogen een poging van een zoon om de generatiekloof tussen een vader en zoon te benoemen èn te overbruggen. In Nederland werd op tv bij Adriaan van Dis ook zo’n soort poging gedaan door Maarten Biesheuvel. Diens poging was van een andere orde, hij riep niet de vader ter verantwoording, maar zichzelf via zijn (overleden) vader. Het ontroerende ervan is, dat hij zich verontschuldigt voor zijn depressiviteit, een ziekte waar hij onmogelijk schuldig aan kan zijn – maar juist door zijn onverschrokken schuldbekentenis verandert Biesheuvel van een soort zielepiet in een literaire held.

Kafka_portrait

biesheuvel-bij-adriaan-van-dis

Sloterdijks persoonlijke levensverhaal speelt ook mee in zijn waardering van Kafka. Dit blijkt uit een interview uit 2013, als hij vertelt over zijn vader die hij nooit goed heeft gekend. Zodoende ging hij zichzelf ‘bevaderen’. Hierover zegt hij: ‘In 1947 geboren, blieb ich ein von der Vaterseite her so gut wie völlig ungeprägter junger Mann. Zur rechten Zeit sah ich ein, ich sollte mich zu einer Art von Selbstbevaterung entschließen. Was Bevaterung bedeutet, wusste ich nicht. Ich musste mir meine Väter oder Instruktoren zusammensuchen, dazu war es nötig, sich in der Welt umzusehen. Väter sind Vorbilder, nicht wahr, die man aufsucht, um etwas zum Überwinden zu haben. Aber Niemand, der etwas zu sagen hatte, war vor meiner Bewunderung sicher – auch nicht vor meiner Enttäuschung. Der Durchbruch kam, als ich verstand, dass ich mir selber die Welt erzählen sollte. In meinem Fall konnte das nur dadurch geschehen, dass ich mich selber an die Hand nahm – als Lehrer und Schüler in einer Person. Irgendwie gelang es mir, mich in einen größeren und einen kleineren Part zu verdoppeln. Also habe ich mich selber an die Hand genommen und mir die Welt und das Leben erklärt.’

Met deze persoonlijke noot van Sloterdijk sluit ik dit deel af. We zagen dat de ziel filosofisch te benoemen is als iets bomigs. Bomen kunnen niets beloven, maar zonder ‘t bomige van een mens is een belofte niets waard. Menselijk gezien is het bomige iets dat het mogelijk maakt dat we elkaar iets beloven – en het zorgt ervoor dat beloften worden waargemaakt. Het bomige is niet iets algemeens, maar iets persoonlijks. Bij Sloterdijk is de s in het woord persoonlijk te lezen als een z. Voor hem begint het persoonlijke heel familiair met iets perzoonlijks.

3 OP ZOEK NAAR HET ‘IETS’

Jeroen Bosch

sloterdijks sferen

Op de cover van Sloterdijks boek Sferen (2004) prijkt een fragment van De tuin der lusten van Jeroen Bosch. Die keuze had niet beter kunnen zijn, want de sferen die de twee heren oproepen –  Sloterdijk in zijn filosofie en Bosch in zijn schilderkunst – komen wonderlijk overeen. Ze laten zich beiden ook kritisch uit over hun tijdgenoten. Bosch verwerkte gezegden en spreekwoorden in zijn werk en dat duidt erop dat hij mensen aan hun woord wilde houden, of dat hij erop stond dat ze zaken correct benoemden. Op dit punt is er overeenkomst met de filosoof. Ze hebben beiden een gevoeligheid voor waarheid gemeen. Sloterdijk geeft een karakterschets van zichzelf die ik gebruik om toegang te krijgen tot de persoon van Jeroen Bosch. Sloterdijk zegt van zichzelf dat hij een hekel heeft aan holle frasen. Wat hij zegt, is direct van toepassing op het karakter van Bosch. Ik citeer uit het interview van 2013: ‘Vielleicht kann ich Ihnen erklären, woher meine Abneigung gegen die Phrase kommt. Seit jeher leide ich an mir eine kindliche Furcht vor Langeweile. Damit wir uns nicht missverstehen, ich kenne eine gute Langeweile, die beruhigt und integriert. Man kann sich ihr anvertrauen wie einer alten Erzieherin – ich denke an die subtile Langeweile einer Landschaft, die befreiende Langeweile des Meeres, die erhabene Langeweile des Gebirges und manchmal die geduldfördernde Langeweile großer Erzählliteratur.

boommens

Eine bösartige Langeweile geht von der zudringlichen Borniertheit der Phrasenbesitzer aus. Ich weiß nicht, ob Sie solche Situationen kennen: Man wechselt ein paar Worte mit einem Menschen, der dir nicht einmal a priori unsympathisch sein muss. Nach drei, vier ausgetauschten Sätzen fühlst du dich lebensmüde. Es ist, als ob die vitale Batterie binnen Sekunden entleert worden wäre, und du weißt nicht warum. Vor dieser Art von Langeweile schrecke ich zurück wie Tod und Teufel, sie ist ein pathologischer Zustand, in dem die Freude am Gespräch, am Meinungsausdruck, am Etwas-sehen-und-sagen-Können, ja am Leben überhaupt verloren geht. Das Symptom der schlimmen Langeweile ist der Sprachzusammenbruch.’

Holle frasen

Van Sloterdijks holle frasen overstappen naar de holle boommens in de hel van Bosch, is een kleine stap. Die boommens drukt namelijk precies de gevoelens van leegte en verveling (Langeweile) uit die Sloterdijk benoemt. De figuur staat pontificaal op het rechter paneel van de Tuin der Lusten, temidden van herrie en hellegedrochten. Hij kijkt met een ironisch-melancholieke blik naar zijn opengebroken lijf. We kunnen zijn innerlijk zien en maken kennis met wat hij in wezen is: een dranklokaal & hoerenkast. Hij doet er zelf het zwijgen toe, maar toch kijkt hij met een vragende blik alsof hij zeggen wil: ‘Raad eens hoe ik zo geworden ben?’ Zijn blik negeren en de vraag laten liggen, kan ik niet. Dat zou niet beleefd zijn jegens iemand die zich zo blootgeeft. Dus ga ik op zijn uitnodiging in – ook omdat ik mijn eigen berekenende stem hoor zeggen: ‘Baat het niet, het schaadt ook niet. Het helpt vast bij het wegwerken van Sloterdijks naargeestigheid.’

Bosch-kenners zijn verdeeld over de vraag wie of wat de boommens is. Sommigen zien in hem een zelfportret van Bosch. Anderen staan stil bij de vorm van de boom, weer anderen zien in de torso het lijf van een gans. Zelf zie ik er ook de vorm in van een ei. En waarom zou Bosch deze vormen niet expres vermengd hebben? Zijn boommens heeft zo een ongrijpbaar duivels karakter. Het holle ei kan duiden op een leeg toekomstperspectief; de gans op dom gesnater. De boom is een ontwortelde boom die op het punt staat te kapseizen omdat de bootjes het gewicht niet kunnen torsen. Voor de betekenis van de symboliek van boom en bootjes verwijs ik naar Het Narrenschip van Bosch. In dat schilderij staat het Carnaval (Vastenavond) centraal. Dit feest speelt een rol bij Bosch, hij gebruikt het als metafoor voor de samenleving – om te laten zien hoe hij dacht over de manier waarop mensen hun beloften vieren.

Paradijs

In mijn blog over Jeroen Bosch ‘Een nieuwe lente’ (5), besprak ik het bomige bij Bosch en ik ontdekte een verband met de bijbelse apocalyps. Mijn conclusie luidde dat Bosch niet bij machte was om zijn ethiek op een natuurlijke manier in zijn schilderkunst te integreren. Zijn werk is dualistisch: er is een voortdurende strijd tussen erotiek en ethiek, van het kwaad dat het goede bedreigt. Opmerkelijk is dat hij geen schilders in zijn hel afbeeldt. Blijkbaar is schilderen voor hem een kunst die de waarheid onthult en die boven alle kritiek is verheven.

ScreenHunter_208 Oct. 17 12.44

Kijkend naar het middenpaneel van de Tuin der lusten, valt op dat Bosch er vreemde ‘gebouwsels’ heeft geschilderd. Ze leven! Dood gesteente leeft, architectonische rotsformaties met ronde eivormen hebben plantaardige trekken en een vlezige kleur. Er groeien zelfs bomen uit. Het onderscheid tussen architectuur en vegetatie is veranderd in iets dat ‘archivectatie’ zou kunnen heten. Het verschil tussen het levenloze en het levende is verdwenen. In de holle ruimten houden zich minnekozende mensen op en ze halen acrobatische toeren uit. Er spreekt een groot schildersplezier uit het schilderij en het is moeilijk voorstelbaar dat Bosch het met tegenzin gemaakt zou hebben. De wens was hier beslist de vader van de gedachte en het moet voor hem bevrijdend zijn geweest zo’n voorstelling te maken, dwars tegen de werkelijkheid in.

Kijkend naar de bouwsels van Bosch, heb ik de indruk dat hij en ik in dezelfde vijver vissen. Wij beiden willen weten wat we moeten aanvangen met onze ziel. Ik benoem bezieling als het luisteren naar het bomige. Bosch daarentegen schildert ‘archivectonische’ bouwsels, ideaalbeelden van het verlangen naar… ja, naar wat eigenlijk?

Ik kijk verder. Op de voorgrond is een optocht te zien rond een vijver. Het lijkt een carnavalsoptocht. De ronde vijver is dezelfde als die op het linker paneel, waar Adam en Eva staan. In die vijver leest een vogelbekdier zwemmend een boek – dat is het Bijbelboek Openbaringen waarin de wereldgeschiedenis van beging tot einde, van schepping tot ondergang, in opgetekend staat. De rituele optocht rond de vijver is het vieren van beloften in optima forma: zoals leven en dood één zijn geworden, zo ook het vieren en het beloven. Er valt niks meer te beloven, alle beloften zijn uitgekomen. De mens is vrij en verstaat zich met de dieren. Niemand neemt aanstoot aan een ander en de dood bestaat niet meer.

Toch valt het idealisme waarmee Bosch dit schildert door de mand. De mensen zijn uniform, qua lichaamsbouw zijn ze vrijwel aan elkaar gelijk. De tijd staat er stil, de mensen zijn even oud. Kinderen zijn er niet, een generatiewisseling vindt niet plaats. Hoe hij vervolgens de werkelijkheid echt zag? Bosch schildert een wrede wereld vol mismaakten, zieken, armen en kwaadwilligen. Het moet voor hem teleurstellend zijn geweest om uit zijn geschilderde fantasiewereld terug te keren naar de realiteit.

Dualisme

Bosch’ paradijs is een geïdealiseerde wereld waar geen dualisme meer bestaat. Dit is goed te zien aan de bouwsels van dode steen & levende planten die één geheel zijn. Er zijn geen spelende kinderen en de tijd is afwezig. Op Bosch’ schilderijen van het echte leven daarentegen is het één en al dualiteit! Het goede en het kwade zijn tegen elkaar afgezet op een manier zoals dat jaarlijks tijdens het Carnaval wordt gevierd. Het dualisme is de manier waarop Bosch de wereld ziet en het is de sleutel tot zijn moraal. Bosch’ redenatie is als volgt: ‘Als de mens in wezen het goede wenst en wil, dan moesten idealen toch realiteit kunnen worden? Waarom gebeurt dat dan niet? Omdat het uitgangsmateriaal, het ‘iets’ dat we zijn, niet deugt.

Hij concludeert dat ziekte, dood, bedrog, etc, niet worden veroorzaakt door de menselijk wil, maar door de substantie waarvan de mens is gemaakt. Het ligt niet aan de mens zelf, maar aan het lijf waarin hij zit. Het ‘zijn’ van de mens is dualistisch, want het kan niet zo zijn dat ik alleen maar uit ondeugdelijk materiaal besta – waar komt anders die drang naar het ideale vandaan? Ergens in de mens is er een missing link, ergens onderweg moet er iets mis zijn gegaan.

Het interessante in de Tuin der Lusten is, dat Bosch laat zien dat de schoen wringt. Idealiter zou de levenloze materie gewoon hebben moeten overgaan in schitterende levensvormen. De materie is immers bezield en levend? In Bosch’ filosofie is echter geen plaats voor deze gedachte. Hij redeneert andersom, hij legt de oorzaak van al het kwalijke in de ondeugdelijkheid van het materiaal. Dus schildert hij met extra genoegen zijn helletaferelen. Want hij gelooft dat het ooit afgelopen zal zijn met al het stoffelijke. In de Bijbel heet de wereldondergang: Apocalyps. De Apocalyps, beschreven in het Bijbelboek Openbaringen, is de sleutel tot het beter begrijpen van Jeroen Bosch. In een aards paradijs gelooft hij absoluut niet. Hij geloofde in een ondergang van de wereld en in een totaal nieuw begin.

De tijd

Kijken we nog eens beter naar het middenpaneel, dan zien we dat daar een stoet geharnaste waterwezens, of ‘zeemeermannen’ nadert. Wie zijn zij? Er gaat onmiskenbaar een dreiging van hen uit. Waar komen zij vandaan? Waarom dragen zij harnassen en helmen zodat we niet zien wie zij zijn? Alle mensen zijn naakt, waarom zij niet?

geharnasten

Verbeeldt Bosch met hen soms legers en soldaten die geen oorlogen meer voeren? Hebben ze zich overgegeven omdat er geen reden tot oorlogvoeren meer is? Misschien. Maar het kan ook dat Bosch een andere bedoeling had. De groep beweegt van links naar rechts, in de richting van de hel op het rechterpaneel. Als ze in deze richting blijven voortgaan, komen ze dus vanzelf in de hel aan.

Ik vermoed dat Bosch met de geharnaste figuren de generatie heeft geschilderd die noodzakelijkerwijs volgt op die ervoor. Door hen te schilderen, laat Bosch zien dat als er leven is, de tijd niet stil kan staan. Op de achtergrond dienen ze zich aan. Nog voeren ze vissen en maken een gedienstige indruk. Maar straks zullen ze zich ontpoppen als kwelduivels en dan breekt hun tijd aan. Ze zullen de paradijsbewoners te verstaan geven dat hun tijd verstreken is.

In de rechterbenedenhoek heeft Bosch een geheimzinnig tafereel geschilderd. Een man (met kleren aan?) wijst naar een vrouw. Zij houdt, als De Denker van Rodin, de hand onder het hoofd en piekert zich suf. De appel die ze vast houdt is gaaf, er is niet van gehapt.

Almaengien

Heeft Bosch hier Adam en Eva uit het oude paradijs via een onderaardse tunnel naar het nieuwe paradijs verplaatst? Is hijzelf de man die naar de vrouw wijst? Maakt hij Eva het verwijt dat zij de zwakke schakel van het leven is omdat zij het leven doorgeeft, zodat het ondeugdelijke materiaal doorgaat van generatie op generatie? Misschien. Maar waarschijnlijk heeft de glimlach toch een andere reden. Bosch weet dat de hap van de appel geen enkel verschil maakt. Vanaf het begin van de wereld was de bron van het kwaad de stof waarvan alles was gemaakt. Eva’s gepieker heeft dus geen zin. Bosch laat zien dat de waarheid schuilt in de geharnaste generatie die in aantocht is. Deze betekent het einde van alles – en het nieuwe begin.

Apocalyps

Bosch’ schilderen is een waarschuwen. De kleurstoffen die hij gebruikt, zijn fijngewreven stoffen die hij tot leven brengt dankzij het licht. Zijn schilderen is een soort ‘praten met het licht’. Licht is voor hem de drager van het echte leven, leven dat gezuiverd is van de kwalijke aardse eigenschappen. Hij gelooft dat er uiteindelijk maar één oplossing is voor de aardse ellende: een totale reiniging van het materiële door het licht (vuur). Dit verklaart de religieuze inslag van zijn werk.

Visioenen_uit_het_hiernamaals_detail

In Sloterdijks filosofie is ook een apocalyptische teneur aanwezig. Hij gebruikt echter niet de metafoor van reinigend vuur, maar die van verstikkend water. Hij schetst een spookachtige toekomst van een onder water gelopen wereld waarin niets meer van A naar B stroomt. Met andere woorden: alles wat gezegd wordt, wordt even geldig. Niemand zal zich meer ergens hard voor maken. Waarom ook? Een ordening van waarden bestaat dan niet meer. Iedereen heeft gelijk! Zeggen dat iets zus of zo zou moeten in het belang van het algemeen, gebeurt niet meer. De term algemeen belang zal iets zijn waarvan men zich nog kan herinneren dat het ooit de lachlust of woede opwekte bij sommigen. Maar zulke emoties behoren tot het verleden omdat het algemeen belang iets is geworden van iedereen.

In Sloterdijks toekomst stroomt geen betekenis meer. Alle verschil is verdwenen. De wereld is veranderd in een ondergelopen delta waar alles onderhevig is aan de krachten van eb en vloed. Het ‘Na ons de zondvloed’ van Madame de Pompadour is dan realiteit geworden.

schrecklichen kinder bomen

De substantie

Hoewel Jeroen Bosch en Sloterdijk allebei een apocalyptisch toekomscenario schetsen, verschillen ze sterk in hun opvatting van het substantiële. Bosch moet niets van de materiële werkelijkheid hebben, hij vertrouwt op het licht. Licht waarmee alles uiteindelijk in het reine komt. Sloterdijk benadert de werkelijkheid precies andersom.

Hij – en ik als tijdgenoot met hem – weet dat materie uit complexe deeltjes bestaat en dat het leven een wonderlijk samenspel is van chemische processen. Leven is te begrijpen vanuit de vertakkingen van de evolutionaire levensboom. De boom die begon met een onvoorziene gebeurtenis, die, met de Vegetatieve Filosofie van Oudemans en Peeters, als volgt te vertellen is: ‘Eens in de miljarden jaren oude geschiedenis van het leven is een cyanobacterie, met zijn vermogen tot omzetting van zonlicht in energie, opgegeten door een eucaryotische cel met als gevolg een endosymbiose: bacterie en cel gingen in elkaar op, in een nieuwe eenheid. De cyanobacterie kon zich vanaf dat moment in de cel vermenigvuldigen, en de cel kon de energie van de cyanobacterie gebruiken zonder deze te doden.’

Voor Sloterdijk heeft het licht geen hogere werkelijkheidswaarde, zoals bij Jeroen Bosch. Bij hem begint het leven in het donker en het komt vervolgens aan het licht, zoals bij het schouwen van een ei. Er is bij Sloterdijk geen dualiteit van licht en donker. Het substantiële is niet het licht, waarmee hij het leven diskwalificeert, zoals bij Bosch. Sloterdijk ziet het substantiële als een mentaliteitskwestie, als een integere manier van denken en handelen. (Sloterdijk laat hier mijns inziens toch iets liggen, ik kom daar nog op terug.)

Gelijke ervaring

Het is opmerkelijk dat Sloterdijk en Bosch vertrekken vanuit een gedeelde ervaring. Ze voelen zich niet thuis in hun tijd, ze ergeren zich aan wat ze om zich heen zien gebeuren. Met kop en schouders steekt hun kunnen uit boven dat van de meeste anderen. Ze proberen een levenshouding te vinden die er niet op is gericht individueel profijt te trekken van hun genialiteit. Hun genie resulteert in een houding waarmee ze anderen attenderen op een zeker vermoeden – het vermoeden dat ze zelf aan den lijve ondervinden – namelijk dat een mens tot meer in staat is dan hij zelf doorgaans meent. Een mens mag in Sloterdijks optiek best wat meer van zichzelf eisen. Bosch daarentegen predikt innerlijke berusting en gelatenheid.

pseudo dionysius

Bosch baseert zijn weten op een christelijke lichtmystiek. Zijn leer is gericht op het verdragen van onrecht en ongemak. Het is een mystiek die zijn oorsprong vindt in de geschriften van de neo-platonist pseudo Dionysios de Areopagiet (5e eeuw). Een beroemde vertolker ervan is de mysticus Meister Eckhart (1260-1328). Sloterdijk daarentegen wil tijdgenoten waarschuwen voor onverschilligheid. Hij vindt de mystiek van Eckhart teveel op het innerlijk gericht. Het leidt af van wat in zijn optiek werkelijk van belang is: verbetering van het substantiële.

Sloterdijks drieluik

Het is opmerkelijk dat Sloterdijk in zijn boek een drieluik schetst. Door dit te doen, plaatst hij zich in de traditie van schilders die deze altaarstukken maakten. Hij houdt met zijn drieluik mensen een spiegel voor, zoals ook Bosch deed. Na het vijfde hoofdstuk (getiteld: Het Über-Es: over de stof waarvan opeenvolgingen worden gemaakt), waarin hij laat zien dat het substantiële hoofdzakelijk tot uiting komt in een mentaliteit die in staat is tot waarderen, schildert hij in hoofdstuk zes (getiteld: De grote vrijmaking) een drieluik met drie menstypen. De drie  typen zijn ontleend aan de drama’s van Shakespeare. In de ogen van Sloterdijk brengt deze schrijver de menselijke tekortkomingen op geniale wijze voor het voetlicht.

news_bShakespeare-Plays

Op het grote middenpaneel staat de zelfbewuste adel afgebeeld. Dit zijn zij die van zichzelf weten dat ze zijn voorbestemd tot leidinggeven. Het is de status quo die zich bewust is van de verantwoordelijke taak die het heeft te vervullen. Het zijn personen die afstammen van voorouders die deze status ook hadden. In de meer burgerlijk georiënteerde maatschappij is het schilderij De Nachtwacht een mooi voorbeeld. Hier poseren zelfbewuste burgers die erop voorstaan dat hun zelfbewustzijn het waard is om door medeburgers gezien te worden.

De rechtervleugel wordt bevolkt door wat Sloterdijk de ‘heroïsche bastaarden’ noemt. Het zijn schepselen zonder duidelijke afkomst. Ze zijn niet van adel, ze zijn niet in het bezit van een geërfde legitimiteit. Deze klasse verschijnt tijdens de Renaissance ten tonele. Het zijn mensen die iets kunnen, kunstenaars die aantonen mensen te zijn die meer in hun mars hebben dan een ander. Het maken van opzienbarende dingen is hun legitimatie. Ze zijn de ‘nieuwe mensen’, mensen die zichzelf bewonderen en vinden dat ze de bewondering van anderen verdienen. Maar ook zijn ze met zichzelf in verlegenheid want hoe past hun zelflegitimatie in de bestaande orde? Die orde is nog gebaseerd op de waarde van de adel. De nieuwe mens past zich aan en kwalificeert zijn kunnen als iets adellijks. Een waardevol mens is voortaan niet alleen een edel mens, maar ook iemand die ‘iets edels’ kan.

Sloterdijk weeft nog een tussenpaneel in. Hiermee ruimt hij plaats in voor een vrouw die bijzondere aandacht verdient. Tussen het middelste en het rechterpaneel schildert hij Elizabeth I van Engeland (1533-1603).

queen-elizabeth-i

Hij ziet in haar een politieke kunstenares die de Commonwealth met een opmerkelijke draagkracht bestuurde. Haar vader was Hendrik VIII. Deze liet Elizabeths moeder Anna Boleyn terechtstellen om een andere vrouw te kunnen huwen bij wie hij hoopte een zoon als opvolger te verwekken. Ik citeer Sloterdijk: ‘Eens te meer leverde ze (Elizabeth) het bewijs dat heldhaftigheid niets anders is dan het omzetten van het concept ‘lijden’ in actie. () Haar aanspraak op legitieme heerschappij kon ze alleen ontlenen aan een vader die haar op de grofste wijze gedelegitimeerd en verloochend had.’ Haar leven lang droeg ze het portret van Anna Boleyn in een klein medaillon bij zich.

4 HET KWAAD

Shakespeare liet zich inspireren door het innerlijke drama van zijn vorstin. (Zal er ooit een Nederlands stuk verschijnen over het innerlijke drama van een koningin, geportretteerd tegen de achtergrond van haar anti-burgerlijke maffiavader, een intellectueel ontspoorde moeder, een uiterst tactvolle maar zieke echtgenoot en een incapabele zoon als troonopvolger?) Shakespeare groef diep in de menselijke ziel. In de King Lear pluist hij de motieven van menselijke corruptie tot aan de wortel uit. Met behulp van Shakespeare vult Sloterdijk het linker paneel van zijn drieluik met corrupte personages. Hij noemt ze ‘schurken-bastaarden.’

Schurken-bastaarden zijn personen die hun ‘menselijkheid’ ontlenen aan corruptie. Shakespeare brengt in zijn drama’s die corruptie aan het licht. In zijn stukken zijn drie verklaring voor corruptie te vinden: 1 De bereidheid van de mens tot waan, het zoeken naar illusie en zelfbedrog. 2 De bijna-almacht van het onaangevochten slechte voorbeeld, die van mensen wezens maakt die liever corrupt succesvol zijn dan integer succes-loos. 3 De constitutieve onzekerheid van de erfprocessen en de fragiele omstandigheden waaronder de opvolging tussen generaties plaatsvindt.

In King Lear begint de corruptie met de leider, de koning die zichzelf bedriegt. Hij wil geloven dat zijn drie dochters van hem houden. Hij is echter een bruut en zijn dochters mogen hem niet. De meest oprechte dochter zegt hem dit en geeft te kennen dat ze hem wil respecteren als vader, maar ze kan hem als persoon niet liefhebben. Haar zussen liegen dat ze wel van hem houden. Hij is furieus op zijn ene dochter en verstoot haar – wat leidt tot haar dood. Als hij tenslotte inziet dat de andere dochters hem hebben voorgelopen, is het te laat. Hij staat dan met de dode dochter in zijn armen, het kind dat het meest van hem hield.

De opvolging

De fragiele omstandigheden van de opvolging is het grote thema in King Lear. De koning verliest door eigen schuld de meest geschikte troonopvolger. Er is in het stuk nog een ander voorbeeld, dat van de graaf van Gloucester die zich laat misleiden door zijn bastaardzoon Edmund. Edmund is jaloers op de rechtmatige zoon Edgar en speelt een vals spel door te zeggen dat Edgar zijn vader wil ombrengen om de erfenis. Hij speelt het zo overtuigend, dat zijn vader denkt dat het waar is. Dit leidt tot de dood van Edgar die niet kan geloven dat zijn vader zo slecht over hem denkt.

Sloterdijks vraag naar de oorsprong van het kwaad luidt: Hoe komt het dat het schurken-bastaard type (zoals Edmund) zo intens kwaadaardig is – èn dat het de kans krijgt leugens te verspreiden èn dat die leugens ook nog worden geloofd? In zijn drieluik van mensentypen liet hij zien hoe mensen de waarde van hun mens-zijn legitimeren. Ze doen dit door zich bewust te zijn van hun afkomst, of omdat ze kunnen laten zien dat ze iets bijzonders in hun mars hebben. Maar het derde menstype heeft niet zulke eigenschappen. Het heeft eigenlijk helemaal geen eigenschappen. Of… jawel, ze hebben ook iets! Ze hebben zichzelf namelijk weten uit te vinden. Hoe? Door te pretenderen het recht te hebben ook een mens te zijn.

Mensen zonder eigenschappen

Het zijn deze uitvinders die Sloterdijk in de beklaagdenbank zet. Want hoezo, het ‘recht hebben’ om mens te mogen zijn? Waar haalt iemand dat recht dan vandaan, waar is dat recht op gebaseerd? En wie verleenden hen dat recht?

jesus-and-the-devil

Onder Sloterdijks vraag naar het kwaad schuilt een addertje. Immers, het van adel zijn is tegenwoordig niet meer van belang. Afkomst telt niet, het is geen waarde waarmee je aanspraak kunt maken op een beter mens zijn. En toch kent de taal nog wel de woorden adel, edel, veredeling. Soms wordt zo’n woord uit de kast gehaald, bijvoorbeeld om een oproep te doen tot een ‘Adel van de geest’, zoals Rob Riemen deed in 2009.adel vd geest

De spreekwoordelijke adder onder het gras betekent bij Sloterdijk dat de moderne burger in feite een soort bastaard is op zoek naar de legitimatie van zijn waarde. Sloterdijk riep in zijn vorige boek ‘Je moet je leven veranderen’ op tot zelfverbetering. En nu wijst hij erop dat deze oproep ook een veredeling inhoudt. Hij laat zien hoe de samenleving is vergeven van corrupte types zoals Edmund. Er zijn legio mensen die zich menselijk voordoen, maar eigenlijk corrupt, onedel zijn. De spreekwoordelijke adder bij Sloterdijk verleidt, zoals eertijds de slang in het paradijs. De adder zegt: ‘Leef je leven! Eis je recht op! Je hebt toch als mens het recht om mens te mogen zijn?’

Mode en mimetische rivaliteit

Net als Jeroen Bosch ooit deed, schildert ook Sloterdijk het kwaad. Maar hij doet dat niet, zoals Bosch, door het toe te schrijven aan een duivelse substantie. Hij verklaart het kwaad door de menselijke onoplettendheid te benoemen. Dat benoemen doet hij met het woord corruptie en de drie verklaringen ervan (door Shakespeare). De psychologische oorzaak van de corruptie legt hij ook uit. Hij doet dit aan de hand van de theorie van de mimetische rivaliteit, ontwikkeld in het zondebokmechanisme van René Girard (1923-2015). Diens ontdekking komt er in het kort op neer dat de mens de kunst van het willen altijd afkijkt van een ander. Een kind weet nog niet wat het wil, het leert dit door te kijken naar wat de ouders willen. Als het speelt met leeftijdgenootjes en ziet dat één van hen met een bepaald stuk speelgoed wil spelen, dan zal het als in een reflex de hand ook naar dat stuk speelgoed uitsteken. Willen is in beginsel niets anders dan afkijken. Het ‘niet-willen’, zoals bijvoorbeeld het boeddhisme propageert, is in feite de oefening van het bij jezelf te rade gaan en merken dat je in wezen niet weet wat je wilt. Alles wat je dacht te willen, was afgekeken.

De mode is een mooi voorbeeld van hoe mimese werkt. Men koopt iets, niet omdat het nodig is, of omdat is ingeschat dat het mooi is of waardevol, maar omdat men er anders niet bij hoort. Het erbij-horen is de onderliggende drijfveer van mimese. Er zijn dan natuurlijk altijd mensen die er niet bij horen… en die buitengesloten of uitgestoten worden.

Jaloezie

Het erbij-willen-horen is wat de bastaardzoon Edmund drijft en wat hem aanzet tot kwaadwilligheid. Hij vindt dat hij het recht heeft er ook bij te horen. Maar dat kan niet, hij is de bastaardzoon en niet de rechtmatige erfgenaam. Edmund legt zich er niet bij neer. En dan is er nog maar één oplossing: de echte zoon moet het veld ruimen. En ja, waarom ook niet? Waarom zou hij geen gebruik maken van zijn recht? Wie heeft immers bepaald dat hij als bastaardzoon ter wereld moest komen? En wie kan hem het recht ontzeggen om zijn recht als mens op te eisen? Hij heeft toch immers (als mens) het recht om (mens) te zijn?

Shakespeare legt Edward de volgende tekst in de mond: ‘Natuur, gij, mijn godin, ’t is uw wet die ik gehoorzaam. Waarom zou ik de vloek van de oude sleur verdragen, en het dulden dat volksvooroordeel mij onterft, omdat mijn broer twaalf of veertien maneschijnen voor mij kwam? Waarom bastaard? Waarom onedel?’

Conclusie

Sloterdijks psychologisch-filosofische analyse van het kwaad leidt tot de volgende kernachtige conclusie: De veredeling van de mens loopt spaak in een samenleving waarin wordt geloofd dat iemand het recht heeft om mens te zijn. Dat recht is een bedenksel en bestaat in werkelijkheid niet. Wie zich dat recht toe-eigent, moet zich legitimeren, bijvoorbeeld door zijn specifieke eigenschappen te tonen. Maar dat gebeurt zelden. Meestal eigent men zich het mens-zijn gewoon toe en verschuilt zich achter het woord humaniteit. Met Shakespeare is te zien dat deze toe-eigening een mimetisch karakter heeft: iemand kijkt het mens-zijn af, maar heeft geen idee wat het edele ervan is.

Als dergelijke types het mensbeeld bepalen, neemt de corruptie toe. Corruptie wordt dan getolereerd en aangemoedigd in plaats van bestreden. In het verleden heeft dit tot rampen geleid, omdat het type schurken-bastaard in de persoon van bijvoorbeeld een Stalin, een Hitler, een Mao zijn kans greep. Sloterdijk verwacht weinig goeds van een populistische media en politiek die de mimetische rivaliteit van de massa aanwakkeren en bespelen. Het leidt tot kansrijke situaties voor het schurkentype.

5 HET GOEDE

Sloterdijk en de boom van Magritte

Magritte-Le-Beau-Monde-4-6m-GBP-7.9m-GBP

Van de schurken van Shakespeare overgaan naar de wonderboom van René Magritte, lijkt gewaagd en een heel eind lopen. Toch is het minder ver dan gedacht. Om te beginnen laat Magritte in zijn schilderijen zien dat de wereld een toneelpodium is. Ieder speelt zijn rol en de gordijnen zijn willekeurig opgehangen. Nooit kun je met zekerheid zeggen wie er van achter de spiegelcoulissen tevoorschijn komen. Hij reikt Shakespeare hier dus de hand.

Magritte heeft zich ook met de vraag beziggehouden hoe ver een appel van de stam valt. Hij dringt met zijn schilderkunst verder in de vraag door dan Shakespeare met zijn podiumkunst. Ik kan het ook zo zeggen: zoals Shakespeare de tragiek en het kwalijke toont, zo reflecteert Magritte op het edele en tegelijk lichtzinnige. Het verschil schuilt voor een belangrijk deel in de subtiliteit en de humor waarmee hij het menselijke benadert. Laat Shakespeare in zijn Macbeth een heel bos oprukken, Magritte houdt het bij één boom, of een blad in de vorm van een boom. Het is dezelfde subtiliteit die Sloterdijk zoekt in zijn werk Sferen, waarin hij in een schuimbelletje een wereld weerspiegeld wil zien.

Antropologie

magritte-gordijn

De entree bij Magritte betekent dat ik Jeroen Bosch achter me laat. Nog even kijk ik achterom, bij wijze van afscheid. Ik ben doorgelopen en liet Bosch achter omdat zijn werk niet voldeed aan mijn concept van het ‘bomige’. Zijn lichtmetafysica is verouderd en zijn antropologie niet betrouwbaar. Dat neemt niet weg dat zijn werk alle respect verdient. Bosch was iemand die het aandurfde zijn traditie te vernieuwen. Zijn werk is een mijlpaal in de kunstgeschiedenis, niet in het minst door zijn inbreng van het surreële. Bosch staat aan het einde van een religieuze kunsttraditie en aan het begin van het moderne surrealisme – de stroming waar het werk van René Magritte toe behoort.

 

appels

De vraag die in het werk van Magritte meespeelt, is: ‘Welk mysterie gaat er schuil achter het masker dat ik in het dagelijks leven draag?’ Sloterdijk wil ook een antwoord op die vraag, want met de psychologische theorie van René Girard kan hij die vraag niet te beantwoorden. Kernachtig is de vraag ook zo te formuleren: ‘Wat wil ik echt?’

Sloterdijk heeft zich in het boek Sferen beziggehouden met deze vraag. Hij werkte toen het concept uit van het ik dat zichzelf nooit als eenling ervaart, maar altijd als een ‘tweeheid’. In het hoofdstuk getiteld ‘De oerbegeleider’ besprak hij het dubbelgangersmotief bij de surrealist René Magritte. Dit bracht hem tot een analyse van Magrittes schilderij van de wonderboom.

De stem van het bloed

La voix du sang (de stem van het bloed), luidt de titel die Magritte het schilderij gaf. Met behulp van dit schilderij legt Sloterdijk uit hoe iemand de ziel kan ervaren als de psychische ruimte waarin het ik zijn innerlijke dubbelganger ontmoet. Zijn uitleg begint veelbelovend, maar eindigde teleurstellend, zoals ik zal laten zien. Dit is wat er gebeurt: Sloterdijk hoort in Magrittes schilderij de roep van de boom. Ik citeer: ‘Ofschoon het schilderij ontbloot lijkt van mensen, discussieert het als het ware toch over een in menselijk opzicht belangwekkende tegenstelling, namelijk die tussen de organische vertakkings- en loofvorm enerzijds en de op spirituele wijze geïdealiseerde en geconstrueerde figuren van huis en bol.’

magritte boom

Sloterdijk zegt hier eigenlijk dat Magrittes boom en de ‘archivectatie’ van Bosch ongeveer hetzelfde zijn: het zijn symbioses van ’t levende en ‘t levenloze. En dan brengt hij de titel in het geding en zegt: ‘Maar hoe nu klinkt de stem van het bloed?’ Volgens Sloterdijk klinkt het zo: ‘De stem is de roep van de boom. Zij bemiddelt tussen de symbolen in de boomstam en de voedende sfeer van het gebladerte. De boom, die de bol en het huis in zijn ‘schoot’ draagt, is het kennelijk niet te doen om een specifiek soort vruchten. Als boom van het leven en van de kennis in één produceert hij niet het eigene en het organisch eendere, maar zijn tegendeel, de anorganische, spirituele vormen die voor denkende subjecten van betekenis zijn, omdat ze getuigen van hun eigen constructiviteit.’

De uitleg van Sloterdijk klinkt oprecht, maar is ongeloofwaardig. Ik mis namelijk iets. Of liever gezegd, ik mis iemand, namelijk de stem van de schilder. Bomen hebben geen bloed, dus hoe kan Sloterdijk menen dat de stem in de titel zich voordoet als de roep van een boom? Wat ik in de titel beluister, is niet een boom, maar de stem van Magritte. Het is een stem die uitnodigt om bij deze boom stil te staan en in gesprek te gaan. Bijvoorbeeld om te discussiëren over, of te raden naar wat er achter dat half verborgen derde luik tevoorschijn zal komen.

Sloterdijks keuze is niet te volgen. Temeer niet als je leest hoe hij afscheid neemt van Magrittes boom. Ik citeer: ‘Vroeg of laat laat men de intieme sfeer van de boom voor wat die is en richt de blik op de verte, die verrassend genoeg inderdaad een bevrijde zone blijkt te zijn: er doemt een diep rivierlandschap op, met links de contouren van een gebergte en rechts een open vlakte. Het is een landschap zonder de last van symbolen en raadsels. Wie zich losmaakt van de geluidskring op de voorgrond, waar de stem van het bloed alles domineert, die kan dit landschap betreden. Zouden we het dan totaal bij het verkeerde eind hebben als we veronderstelden dat de kunstenaar zich in deze blauwe verte verbergt om van daaruit, enigszins baldadig en zonder geloof in zijn symbolen, zijn toeschouwers te confronteren met de figuren op de voorgrond, als waren het schijnraadsels?’

Toen ik dit las, stond ik perplex. Mijn filosofische held ging hier de mist in! Hij begreep niets van het werk van Magritte. Van hem moest ik de schilder gaan zoeken in een lege verte? Dank je de koekoek! Klonk in die verte een stem? Als dat zo was, dan had Magritte het wel stem gegeven. In mijn oren was het daar doodstil. Sloterdijk begreep de persoonlijke waarde van de schilder niet. Hij gebruikte het schilderij als illustratie bij zijn theorie, maar hij vergat de maker. Zodra deze in beeld komt, katapulteert Sloterdijk deze zomaar een leeg landschap in. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling van de kunstenaar zijn. Wie Magrittes oeuvre kent, weet dat hij anderen altijd betrok bij het bedenken van titels voor zijn schilderijen. Hij vond het leuk om met anderen een interpretatie te bedenken.

the-infinite-recognition-1963(1)

Sloterdijks suggestie dat Magritte zich op de achtergrond zou ophouden, is onjuist. Magritte staat naast de toeschouwer voor het schilderij. Hij is iemand die met het publiek in gesprek wil. Maar Sloterdijk snapt dit niet, hij meent dat hij het wel in zijn eentje af kan en ontkent de plaats die de maker toekomt. Sloterdijk wil zelf voor het schilderij staan. En dat is vreemd, want de aanwezigheid van een betrouwbare oerbegeleider was nu juist het thema van zijn lijvige boek.

 

En nu, tien jaar na dato, presenteert hij zijn boek ‘De verschrikkelijke kinderen’ en schets daar opnieuw een verte. Het is een verte geworden die onder water staat. Het is wel duidelijk hoe dat komt. Zulke vergezichten ontstaan als je de stem van de ander negeert en meent dat je alles in je eentje af kunt. De manier waarop Sloterdijk Magrittes titel interpreteert, getuigt van weinig fatsoen en doorstaat de toets van het adellijke niet.

Baldadigheid

In plaats van echt contact te maken met het werk en de kunstenaar, gooit Sloterdijk het gesprek over een andere boeg. Hij kent de schilder een opmerkelijke eigenschap toe, namelijk: ‘baldadigheid.’ Hij zegt: ‘… als we veronderstelden dat de kunstenaar zich in deze blauwe verte verbergt om van daaruit, enigszins baldadig…’ Welk Duits woord Sloterdijk hier heeft gebruikt, weet ik niet, maar het ligt voor de hand dat hij koos voor: übermütig, ausgelassen, of mutwillig. De vertaler Hans Driessen vertaalde dit met het Nederlandse woord baldadig. Zijn keuze is voortreffelijk, omdat het een beeld oproept van voetballende jochies op straat. Daar, in het vuur van de strijd, vliegt de bal plotseling door de ruit en we horen glasgerinkel. Zo’n baldadigheid gebeurt als je samen bent, maar vrijwel nooit in je eentje.

De vertaler is hier Sloterdijks oerbegeleider èn beschermengel. Driessen koos een woord waarmee hij Sloterdijks brutaliteit openbreekt. In het woord baldadig klinkt het samen spelen door – en ook het risico dat zo’n spel met zich meebrengt. Driessen plukt zo het vraagteken weg dat Sloterdijk achter zijn eigen schijnraadsels zet, raadsels die hij Magritte in de schoenen wil schuiven. De vertaler betoont zich een ware luisteraar. Hij is precies de luisteraar die Magritte schildert met de twee mannen in de wolken die druk met elkaar in gesprek zijn.

Wie de schoen past

Het is opmerkelijk dat Sloterdijk de echte stem van het bloed niet hoort. De filosoof Heidegger overkwam iets soortgelijks toen hij het oor eens te luisteren legde bij een schilderij van Van Gogh.

SchoenenvGoghbeide

Heidegger meende in de afgetrapte schoenen ‘die Stimme der Erde’ te horen. Ook hier werd de stem van de kunstenaar niet gehoord. In plaats van een dialoog aan te gaan met de schilder als oerbegeleider van het werk, werd het kunstwerk misbruikt als illustratie bij de eigen filosofische theorie. In mijn optiek, en naar ik aanneem ook in die van Sloterdijk, getuigt zo’n handelwijze niet van een adellijke houding, maar van die van een handelaar.

Van Gogh maakte menige studie van het bomige. Hij schilderde, in Japanse stijl, bloeiende appelbomen. Ook het ondergrondse, het grillige wortelgestel had zijn belangstelling. Zijn allerlaatste schilderij, lange tijd niet begrepen, toont: boomwortels. De chaotische voorstelling werd toegeschreven aan de verwarde psychische toestand waarin Van Gogh zou hebben verkeerd. Niets is minder waar. Ongetwijfeld was hij af en toe van de wereld, maar zijn sensibiliteit leverde ook prachtige vergezichten en inzichten op. Met Van Goghs laatste schilderij staan we middenin de problematiek van het bomige en de rizomatische filosofie. Volgens Sloterdijk zou zo’n filosofie zich nergens meer op ‘baseren’, het zou niets tot ‘stand’ brengen, zichzelf slechts ontrollen als een dradennetwerk. Sloterdijk heeft gelijk als hij wijst op de ongenuanceerde wijze waarop deze filosofie zich profileert en zich afzet tegen het bestaande.

Gogh wortels

Toch heeft Van Gogh het wonderlijke belang van zo’n grillig netwerk op een ontroerende en tegelijk vrolijke manier kenbaar gemaakt. Bomen groeien niet alleen naar het licht, hun wortels graven zich in en verbinden zich in de grond met rizomen (schimmels) zonder welke ze niet in staat zijn voedsel op te nemen. De symbiose tussen rizoom (schimmeldraden) en het wortelgestel van de boom is een biologisch feit. Met andere woorden, Sloterdijk is te ongenuanceerd en reageert te gelijkhebberig op Deleuze. Sloterdijk laat zich weer niet van zijn adellijke kant zien. En er is nog een andere verdenking in zijn richting: kan het zijn dat hij zijn zelfbevadering zo verabsoluteert dat er weinig speelruimte is voor verbroedering?

Het drieluik

Sloterdijk wil zich in een traditie van retabelen plaatsen, in de traditie van beroemde schilders als Jeroen Bosch, de gebroeders Van Eyck en Rogier van der Weyden. Maar deze schilders zijn zeer expliciet in hun werk, ze weten precies wat ze willen laten zien. Bosch bijvoorbeeld, neemt met de wreedheid in zijn werk duidelijk stelling in. Ook de gebroeders Van Eyck, met het oneindig gedetailleerde Lam Gods, zijn duidelijk in hun opvattingen. Ook de haarscherpe Rogier van der Weyden valt in dit opzicht geen verwijt te maken. Maar Sloterdijk?

Kris_Martin

Zijn drieluik van menstypen (eigenlijk is het een vierluik) overtuigt niet, het is bij lange na niet af. Het doet denken aan het Altar (2014) van Kris Martin, waar je dwars doorheen kijkt. Sloterdijks drieluik is meer een opzet, een geraamte. Dat het niet overtuigt, komt ook door de denkbeweging die hij maakt. Hij begint met het middelste paneel, gaat dan naar het rechterpaneel en vervolgens naar het linker. In mijn beleving begint hij in het nu, kijkt even in de toekomst en eindigt dan helemaal links, in het verleden. De denkbeweging van Jeroen Bosch loopt van links, via het midden, naar rechts. Dit is zoals ik de tijd beleef. Bij Sloterdijk hapert er iets, hij beweegt niet naar een toekomst, hij verliest zich in een verleden.

14a16571-63c2-41e9-8d33-6106df6ba375

Tenslotte beantwoordt hij de substantiediscussie maar half. Hij spreekt zich niet duidelijk uit over wat hij wil met het woord afstamming. Het is toch geen geheim dat de informatiedragers, de genen, onmiskenbaar aan de orde horen te komen en op zijn minst genoemd moeten worden? Hoe anders is afstamming goed ter sprake te brengen? Ten aanzien van het ‘iets’ constateer ik bij Sloterdijk een cirkelbeweging. In zijn ‘Eurotaoisme’ (1989), waar hij de vorm van Griekse en Romeinse amfitheaters besprak, begon dit. In ‘Sferen’ bereikte het een climax toen hij de verandering van bol in schuim besprak.

Het lijkt erop dat Sloterdijk in een cirkel ronddraait. Om uit de vicieuze cirkel te raken, zou de spiraal een goed alternatief zijn. Deze vorm van gedraaide ladders, die onze genen hebben, zouden mijns inziens een mooi uitgangspunt zijn voor een geloofwaardige levensfilosofie. Hiermee kan de klim uit Heideggers val in de geworpenheid worden begonnen. De architectuur van het Dali-museum is dan als inspirerend te ervaren.

dali-museum05

Tot slot

De hoofdvraag van mijn essay was de vraag naar wat ’t is wat iemand ertoe brengt iets te beloven. Ik noemde dit iets: ‘t bomige. De vraag naar ’t bomige is niet op te lossen, maar dient te worden opgepakt. Met de filosofie van Sloterdijk en die van Oudemans, en met schilders als Bosch, Magritte en Van Gogh, ontstond zicht op hoe de aandacht dan is te richten. Helaas werd ook pijnlijk duidelijk dat Sloterdijk een filosoof is die te weinig belooft. En dat hij de beloften die hij doet, niet waarmaakt. Zijn woedende reactie op de rizomatische filosofie is begrijpelijk vanuit een mimetische rivaliteit. Sloterdijk wil de overheid ook adviseren, maar moet toezien hoe rattig het gras voor zijn voeten wordt weggemaaid. Ik begrijp zijn woede wel, maar ik kan de manier waarop hij deze uit niet vanuit zijn eigen waardering van het edele waarderen. Dit leidt er toe dat het filosofische plezier zoek raakt.

Nu het einde van mijn kerstessay in zicht is, zie ik dat dit een vervolg is geworden op een paasessay dat ik twintig jaar geleden schreef. Daarin baseerde ik me op de ironie in het werk van de schrijver Frans Kellendonk en gebruikte ik de Palmpasenstok en het buxusgroen als metafoor voor de ziel. (In 1996 door Kok uitgebracht onder de titel:  Essays over Jezus, gedachten aan het eind van de twintigste eeuw.) Op de achterflap staat: ‘Wie Jezus voor ons is, kan aan het eind van de twintigste eeuw blijkbaar niet meer in oude formuleringen gezegd worden.’ Welnu, in dit kerstessay van de 21e eeuw is duidelijk naar voren gebracht hoe deze persoon en met hem het oude dogmatische woord verzoening, te plaatsen is.

In de Nederlandse literatuur zie ik niemand die Kellendonks ironische point of view overnam. Er heerst momenteel een sentimentele sfeer die goed aanslaat bij het grote publiek. Ik duid op een schrijver als Jan Siebelink (Knielen op een bed violen) met als thema het verlies van de vader. Of iemand als A.F.Th. van der Heijden met zijn requiemroman Tonio, dat gaat over het verlies van zijn zoon.

Ondertussen staat de boom in de kamer. De lichtjes en ballen hangen erin, en ook de toeters, bellen, vogeltjes en herinneringen. Als ik mijn ogen een beetje dicht knijp, dan zie ik iets merkwaardigs gebeuren. Het is alsof ik de boom van Mondriaan zie, alsof ik takken en wortels en schimmeldraden in elkaar zie overgaan en één geheel zie vormen. Terwijl ik luister, is het alsof ik vaders hoor fluisteren met hun vaders – ze horen elkaar en er is begrip. Ik zie hoe vaders hun vaders worden en zonen zonen. Dat alles gebeurt met de ogen half dicht, in de zelf getimmerde

petjex

kribbe.