weizsacker

Het Paardige

Paarden, of ik daar niet eens iets over wilde schrijven, vroeg ze me. Ik schudde het hoofd, want ik heb niks met paarden. Ze zijn me te groot, ik vind ze eng. Onnozel ook, omdat (als ik paard was) ik me niet liet commanderen door iemand die niet op zijn eigen benen wil staan. Mij is de ezel liever vanwege zijn koppige karakter. Paarden zijn slaafs. Rudy Kousbroek (1929-2010) zegt het in Opgespoorde wonderen (2010) zo: ‘Zo wordt de wanhoop vertegenwoordigd door het paard, maar de humor, de weerstand en de opstandigheid door de ezel. Daarom is dit het dier dat wij de grootste dankbaarheid zijn verschuldigd.’ Liever de ezel dus.

rembrandt bileam

De ezel-humor is ook te vinden in de oude Joodse literatuur (Bijbel). Het paard wordt er met gezond wantrouwen bejegend, maar de ezel geniet het volle vertrouwen. Dat was omdat het paard een statussymbool was en omdat paarden nodig waren in een oorlog. In Psalm 32:9 staat te lezen: ‘Weest niet als een paard, als een muildier zonder verstand, welks trots men bedwingt met toom en bit, opdat het u niet te na kome.’ Het Bijbelverhaal van Bileams ezel (Numeri 22) is een bekend verhaal omdat de ezel hierin letterlijk het woord tot Bileam richt. Deze scene is eens geschilderd door Rembrandt. Hij schilderde ook een ruiterportret van Frederick Rihel die een levade uitvoert, een moeilijke beweging die een paard maximaal 5 seconden kan vasthouden. Een ruiter liet met de levade zien dat hij de rijkunst beheerste, het was een symbool voor leiderschapskwaliteiten: de ware heerser was te herkennen aan de kunst het paard in toom te houden. Machthebbers in Europa lieten zich graag zo afbeelden. Gewone burgers werden niet geacht zichzelf zo vorstelijk af te beelden, maar daar trok bankier Rihel (1621-1681) zich niets van aan en Rembrandt zo te zien ook niet.

rembrand paard

Toch maakt Rembrandts paard een harkerige indruk en mij kijkt de berijder te serieus. Het geheel maakt een potsierlijke indruk, het oogt statisch terwijl Rembrandt juist beroemd was vanwege het vastleggen van beweging. Dit paard komt echter niet uit de verf en ik denk dat dit komt omdat Rembrandt geen liefhebber was van paarden. Hij had als kunstenaar weinig affiniteit met machthebbers en symbolen van status en autoriteit, hij hield zich niet bezig met een status quo, die, gesetteld op het paard, neerkeek op de rest. Als kunstenaar voelde Rembrandt weinig voor algemeenheden zoals ‘het volk,’ of ‘het nationale’, of ‘Europese’, hij was meer begaan met het individueel-authentieke.

Het beeld dat Rihel voor ogen stond, was ongetwijfeld dat van Napoleon Bonaparte, al werd dat in 1801 pas geschilderd door Jaques-Louis David. Deze schilder laat zien dat leiderschap een kwaliteit is die moet weten aan te spreken. Bonaparte is bezig de Alpen over te steken en wijst naar voren. De blik waarmee hij je aankijkt is vastberaden en stelt je voor een keus. De vraag die in dit schilderij gesteld wordt, is of je de keizer gelooft en of je bereid bent hem te volgen, of niet. Het paard speelt een sleutelrol in dit schilderij, het beschikt met zijn houding over een flinke dosis overtuigingskracht. Het is alsof dit paard al weet dat wie de keizer volgt, verzekerd is van de overwinning. Het hinnikt en staat te popelen om in volle galop voorwaarts te stormen.

ScreenHunter_275 May. 15 11.16

Onder het paard doorkijkend, zijn soldaten te zien die over enkele weken strijd zullen voeren. De echo’s van het kanongebulder zijn al hoorbaar en dan zal het slagveld bezaaid liggen met lichaamsdelen. Onnodig te zeggen dat de overwinnaars dan blij zullen zijn als de strijd voorbij is.

In het stuk Richard III (1595) laat Shakespeare de corrupte held uitroepen, als deze op het slagveld van het paard valt en in het stof bijt: ‘A horse, a horse, my kingdom for a horse!’ Maar de vijand vindt hem en Richard wordt gedood. In het schilderij van Jaques-Louis David spreekt niet de keizer, het is het paard dat praat. Het zegt ons dat, mocht een musketkogel hem treffen in de borst, er buiten ons blikveld een lange rij soortgenoten staat te wachten om zijn rol over te nemen zodat de keizer in veiligheid kan worden gebracht.

Hoewel ik van sprookjes houd en dieren daarin kunnen spreken, is mij het houterige paard van Rembrandt toch liever dan het sprekende paard van David. Rembrandts paard waarschuwt voor opgeblazen, misleidende symboliek. Zijn paard kan echter niet als voorbeeld dienen voor iemand die zich heeft voorgenomen iets fraais over het paard te schrijven. Kortom, ik wist nog steeds niet waar het heen moest met het paard. En toch, omdat zij me blééf aankijken, knikte ik en zei: ‘Vooruit dan maar’. Ik had namelijk een paard in gedachten van Andreas von Weizsacker (Contrade dell’Arte, 2003), een kunstwerk dat ik in 2012 in de Pinakothek der Moderne in München had bewonderd. Het is een sculptuur van wit porselein dat een uiteengevallen paard voorstelt.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat aan mijn IA-zeggen ook een anekdote van Nietzsche ten grondslag ligt. Ik herinnerde me dat de filosoof (van de anti-slavenmoraal) op een dag een paard had omhelsd. Die omhelzing intrigeerde me, want het kon betekenen dat paarden niet per se slaafs zijn, of dat er in het slaafse mogelijk ook iets goeds schuilt. En dat kon betekenen dat ik van paarden iets wezenlijks kon leren over vrijheid. Dus nam ik de tijd bij de leidsels en trad in paardenvoetsporen die ik voor me zag, sporen die me brachten bij wat ik vanaf nu het Paardige noem.

Het Paardige

Helaas is het de mens niet gegeven het wezen van paard-zijn te bevatten, want mensen behelpen zich via taal met clichés van de werkelijkheid. Dat concludeerde de schilder René Magritte (1898-1967) die zich lange tijd bezig hield met de relatie tussen taal en schilderkunst. Hij meende dat iemand weliswaar kan praten over het ‘iets’ dat hij ‘paard’ noemt, maar dat dit woord verwijst naar het beeld van het paard dat we al in ons hoofd hebben. Er wordt dan weinig gezegd over het zijn van het paard zelf. Toch bedienen mensen zich van het woord (paard) alsof het de gewoonste zaak van de wereld is en ze veronderstellen dan dat er ook echt iets wordt gezegd over dat (paard). Wat er in werkelijkheid gebeurt, is dat mensen hun woord (paard) voor hun talige wagen spannen en er vervolgens de zweep over leggen. Magritte concludeert dat we via taal onze beelden van iets delen, maar niet het werkelijke zijn zelf. Het werkelijke blijft voor de mens geheimzinnig en mysterieus.

ScreenHunter_264 May. 11 09.21

In feite zei de Verlichtingsfilosoof Kant (1724-1804) dit al. Hij veronderstelde achter de waarneembare werkelijkheid een ware werkelijkheid. Achter elk ding bevindt zich het ‘ding an sich.’ Echter, Kants wil om vat te krijgen op de redelijk te begrijpen waarneembare werkelijkheid liet beperkte ruimte voor speculaties omtrent ‘het ware’ achter die werkelijkheid. Kants voorkeur voor het redelijke is goed te begrijpen in een tijd die gekenmerkt werd door onwetendheid en bijgeloof. Terugkijkend op die tijd is het amper te bevatten hoe de menselijke wil tot redelijkheid sinds de Verlichting de wereld heeft veranderd in een gekende wereld, in zeven generaties tijd. Een wereld waarin de aanwezigheid van het paard weliswaar is gemarginaliseerd, maar waarin tegelijkertijd het bewustzijn bestaat dat het zonder paarden nooit zover was gekomen. Aan onze wereld gaat een geschiedenis van duizenden jaren vooraf, waarin de vooruitgang draaide om paardenkracht. En nog steeds klinkt de betekenis ervan door in de taal die we bezigen.

z

Wat Kant dreef, was de wil te benoemen wat een mens met taal vermag te kennen. Hij wilde af van onsamenhangende beweringen die niet gedragen werden door empirisch bewijs. Hiermee ondermijnde hij de beweringen die van oudsher hun gezag ontleenden aan niet-redelijk verantwoorde autoriteiten.

Bert Keizer (Bert Keizer, artikel Trouw, 2006) zegt het zo: “Kant sprak in het voorwoord van de ’Kritiek der zuivere Rede’ zeer zelfbewust van een Copernicaanse revolutie. Hij eiste een ommekeer in de filosofie. Om het met een paard te zeggen: filosofen hebben zich na Kant nooit meer vrijelijk kunnen storten op de vraag ’Welke hindernis kan ik nemen?’ zonder zich rekenschap te geven van het paard waar ze op zitten. Kant kwam met een inventarisatie van ons denkgereedschap, en kon aangeven wat daarmee mogelijk was. De gereedschapsinspectie duurt nog altijd voort in filosofie.” In de twintigste eeuw was het Wittgenstein die wees op de beperkingen die taal ons begrip van de werkelijkheid oplegt.

Het Paardige van Magritte

René Magrittes schilderijen zijn spannend omdat daarin de inperking die logica en rationaliteit van me eisen, wordt doorbroken. Het doel van die doorbraak is het laten doorschemeren van iets dat zich achter mijn woorden en beelden bevindt. Magritte schildert niet het kenbare en benoembare, hij probeert het onbenoembare tevoorschijn te laten komen.

Deze schilder intrigeert me omdat zijn surrealisme niet dogmatisch is en hij weinig op had met de opvattingen van André Breton die in het Manifest van het Surrealisme (1924) de algemene richtlijnen voor het surrealisme te boek stelde. Breton stelde dat Freuds theorie van het instinctieve het wezen van de menselijke werkelijkheid is. Magritte was het daarmee niet eens en hij werd buiten de Franse surrealistische beweging gezet.

magritte anger of the gods

Door Magrittes openbreken van het talige komen bepaalde waarden tevoorschijn. Zijn kunst laat zien hoe de vrije meningsuiting meer is dan het seksueel-instinctieve van Freud, of de vrijheid om te mogen beledigen. In mijn blog Verwoest huis op Noord – een geologie van het buitengewone – schreef ik kort iets over Magrittes kunst in relatie tot Heideggers existentialisme. Ik zeg daar dat kunst zonder verwachting unheimlich blijft en dat het gewaarworden dan verzinkt in onthechting en zal verdrinken in een angst voor ontheemding. Unheimlichkeit is niet wat goede kunst beoogt. In Magrittes bundel getiteld ‘De aarde is geen tranendal’ (1944) noteert hij: ‘De oorlogsjaren hebben me doen inzien dat die mensen (de nazi’s) beter dan wij in staat waren te choqueren. Maar ze waren totaal niet in staat te charmeren.’ Voor Magritte is een kunstwerk geslaagd als het een schok teweeg brengt èn charmeert. De keuze voor charme is bij Magritte een morele verantwoordelijkheid. Charme weet ook te ontroeren. Voor wie in zijn mentale universum enkel ruimte biedt aan verschrikking, is er slechts afgrijzen.

In Heideggers Sein und Zeit (1927) speelt het ontologische concept van het ‘Geworpen-Zijn’ een sleutelrol. Heidegger gebruikt het als formulering voor de manier waarop de mens zich in de wereld bevindt. Dit concept leverde hem de nodige kritiek op, omdat men er vooral een verwerpen of wegwerpen in zag, niet een ontwerpen, waar hij zelf aan dacht. Wellicht geeft het Paardige een handreiking bij dit dispuut. In het Paardige is Heideggers concept van Geworpen-Zijn te begrijpen als een Afgeworpen-Zijn. Heideggers concept ontstond in een tijd waarin het paard plaats maakt voor de techniek. Zijn huiver voor de ontwikkeling van de techniek is dan te verklaren vanuit zijn verlangen naar het Paardige, een verlangen dat werd gedragen door zijn verwachting dat zo’n tijd eens zou aanbreken.

Ik zal in een volgende paardenblog nog terugkomen op de schilder Magritte. Voor nu laat ik zien dat het paard in zijn schilderkunst belangrijk is. Zijn eerste surrealistische schilderij toont een jockey in een vreemd landschap. Een van zijn laatste schilderijen was getiteld: De Blanco volmacht (1965), dat hij schilderde kort voor zijn overlijden in 1967. De vrouw en het paard bevinden zich voor, tussen en achter de bomen. Dit schilderij is voor mij extra van betekenis omdat het een wonderlijke relatie veronderstelt tussen het bomige waarover ik in mijn kerstessay schreef en het vrouwelijke waarvan ik momenteel de blik op mij gericht weet.

magritte jockey1

blanco volmacht

Het Paards

Als ik benoem wat paard-zijn is, moet ik talige vooringenomenheid mijden – dus niet zomaar het cliché-woord paard gebruiken, want dan beland ik bij algemeenheden waar niemand (ik althans niet) plezier aan beleeft. Ook zal ik niet de zweep mogen hanteren, maar geduldig en oplettend moeten zijn, zodat ik zie waar het Paardige onder me opduikt. Ik wacht dus vol vertrouwen af hoe het Paardige zich manifesteert en waar het me brengt. Dat vertrouwen is mij vergund, mede omdat Bert Keizer in zijn artikel in Trouw al aangaf dat de taal zelf eigenlijk het paard is waar ik op zit. Dus wacht ik en span me in om gewaar te worden waar en hoe het Paardige tevoorschijn komt. Helemaal zonder sturing kan dat natuurlijk niet en dat hoeft ook niet, als ik een beetje Paards kan verstaan.

Ik spreek geen Paards en ik ken ook niemand die deze taal volledig beheerst. Wel ken ik twee personen die het enigszins beheersen en het ook weten te vertalen. Charlotte Mutsaers doet dit in de tiende plooi van haar Rachels Rokje (1994). Ze vertelt dat haar lievelingspaard Petit tijdens een rit steigerde, zodat ze in het zand beet. Toen ging het ros behoedzaam door de knieën, knielde op de grond en kroop naar haar toe. Met het hoofd vlak bij het hare, keek hij haar aan, de blik vol twijfel en verlangen. Charlottes letterlijke vertaling van wat ze hem hoorde zeggen, luidt: ‘Wat doet het er ook toe dat ik een paard ben en dat het slechts mijn hoofd is dat op schoot kan zitten. Want mijn hoofd, dat ben ik zelf. Daarin heeft die schoot tenslotte vorm gekregen. Laat nu de slagers maar komen, mij kan het niet meer schelen om dood te gaan.’ En Charlottes eigen ervaring als berijdster formuleert ze zo: ‘Ze is er beter aan toe dan ooit: niet meer voor rede vatbaar.’

De andere vertaler van het Paards die ik weet, is de dichter Tsjêbbe Hettinga (1949-2014). Hem beluisterend vraag ik me af hoe zijn gedicht Faderpaard in het Paards klinkt, bijvoorbeeld uit de mond van Petit die met het hoofd in de schoot van Charlotte Mutsaers ligt. Ik denk dat er weinig verschil te horen zou zijn tussen Tsjêbbe en Petit, want de dichter verstaat in zijn poëzie de kunst een oer-verlangen weer te geven, het verlangen naar de tijd toen elke dichter nog een veulentje was.

Tsjêbbe en Charlotte delen met hun taalgevoel nog iets anders, namelijk een herinnering aan hun vader. Charlotte schrijft erover in Paardenjam (2000), in het hoofdstuk ‘Als het woord vlees wordt, hinnikt het paard,’ vertelt ze hoe het paard in haar leven kwam. Dat was op haar vaders knie. Ze zegt: ‘Ik zat op zijn linkerknie, die er lustig op los galoppeerde, terwijl hij Hop hop paardje zong. Tot mijn verbijstering keek hij mij daarbij aan. Was zijn knie nou het paard of was ik het? Of deed het er niet toe?’

Tsjêbbe vertelt in een interview dat de titel van zijn gedicht Faderpaard is ontleend aan een woord dat zijn vader, paardenfokker van beroep, gebruikte voor een bijzondere hengst. Een Faderpaard is een paard met een gespierd mannelijk lijf, en het heeft een sierlijke, vrouwelijke lijnvoering. In een andere paardenblog over het Paardige bij Picasso kom ik hierop terug.

Elementair

Ter afsluiting van deze inleidende blog, nog een woord over hoe ik het Paardige opwacht en welke stallen ik bezoek. Ik probeer het Paardige op vier manieren te ontdekken.

02.01_Marc_Franz,_Blauwe_Paarden,_1911

Ik ga erin duiken en zal me erin verdiepen, zodat ik het Paardige kan opdiepen. Het Paardige is dan onmiskenbaar verbonden met het vloeibare element water. Water is een levensnoodzakelijk element, maar kan ook overweldigend en verstikkend zijn. Vanuit het perspectief van het water is het Paardige te verstaan als iets machtigs, zoals de zee. Ook is het iets dat zich ondergeschikt maakt als voorwaarde voor het ontstaan van het leven. Ik zal hier in gesprek gaan met Poseidons paarden en met de beweging van De blaue Reiter. Ook the Bleus komen aan bod.

chagall circuspaard1

Wil het Paardige tevoorschijn komen, dan moet het in het licht treden, of in het licht staan. Zoals iedereen weet, komt (zon)licht van boven en schijnt het overdag. Om nachtmerries te voorkomen, is het nodig dat ik de hoogte in ga, de lucht in moet. Het Paardige is hier te verstaan als iets luchtigs en uit de lucht gegrepens. Het luchtige doet een beroep op iemands vaardigheid het evenwicht te bewaren, wat in de lucht niet eenvoudig is. We zullen zien dat het Paardige hier verband houdt met het sprookjesachtige en het circus. De (gevleugelde) paarden van bijvoorbeeld Chagall, Sheherazade en Van Dongen voeren hier het woord.

picasso bullfight-1934

Om het vurige van het paard-zijn te benoemen, ga ik niet te rade bij paarden die door het vuur gingen, of vuurlinies hebben getrotseerd. Over zo’n vurigheid is weinig meer te zeggen dan het benoemen van het eigen gereedschap dat het paard erbij ter beschikking staat, te weten zijn tanden en hoeven. Evenmin zal ik vurigheid Freudiaanse benaderen, omdat ik me dan tot het beschrijven van ’s paards genitaliën moet beperken. Het werkelijk betreden van het vurige betekent inzicht krijgen in het karakter en temperament, de hartstocht en de warmte van het Paardige. Met name de schilder Picasso was niet te beroerd zijn handen eraan te branden. Alle reden dus om als een lopend vuurtje zijn paarden hierop te bevragen.

paard muur

Wie voornemens is zich in te graven in het Paardige, moet duisternis kunnen verdragen. Het opgraven van het Paardige uit het aardse, betekent dat het tijdige ervan aan het licht komt. Wie opgraaft, moet ook kunnen verdragen dat hetgeen aanvankelijk opgehelderd scheen, toch weer in duisternis vervalt. Want zo vergaat ieders leven. Vanuit het aardse perspectief bezien houdt het Paardige alleszins verband met het tijdelijke. Uiteraard wil het Paardige niet begraven, maar opgegraven zijn. Het wil zichzelf realiseren en de kop fier boven het maaiveld uit steken, maar zal zich ook moeten realiseren dat het noodlot niet altijd een keuze is. Feitelijk zijn aardse beweringen altijd duister en dat is niet toevallig, want zo zijn ze nu eenmaal. Trouw zijn aan zulke beweringen, vereist een zekere moed. Een moed die leidt tot het kunnen waarderen van het tragische èn het euforische (en omgekeerd). Waar vind je zo’n moed? Waar moet er dan worden gegraven? Het antwoord op die vraag is een geheim dat wordt ingefluisterd door het paard dat eens door Nietzsche werd omhelsd. Over dat fluisterende paard gaat mijn eerstvolgende blog.