Hoefbevangenheid

Wie nalaat een gegeven paard in de bek te kijken, loopt een gevaar. Hij kan het paard dan per ongeluk voer voorzetten dat niet goed wordt gekauwd, met alle gevolgen van dien: koliek (hevige buikpijn) en hoefbevangenheid. Natuurlijk bekijkt iemand het gegevene wel. En het is een goede gewoonte om, als het wat tegenvalt, hiervan geen ophef te maken. Doorgaans ervaar ik mijn leven niet als iets dat ik helemaal aan mezelf te danken heb, maar vooral als iets dat is verkregen en dat ik met anderen deel. Wie zichzelf als gegeven beschouwt, kijkt in bescheidenheid. Echter, wie te kijken nalaat, loopt risico’s.

Het gegeven paard wel in de bek kijken wil zeggen: het vanzelfsprekende negeren en overgaan tot zelfonderzoek – niet bij voorbaat uit ontevredenheid, maar uit nieuwsgierigheid en uit voorzorg. Tenzij het kwaad al is geschied en je verkrampt op je benen staat en je geen raad weet met jezelf – dan is er, paards gesproken, te vrezen voor hoefbevangenheid.

colic

Wat is hoefbevangenheid en hoe ontstaat het? De oorzaak van hoefbevangenheid bij paarden is een doorbloedingsprobleem in de hoef. Dit gaat met hevige pijn gepaard en kan leiden tot onherstelbare schade en invaliditeit. Het probleem ontstaat door hoge concentraties giftige stoffen in het bloed, meestal veroorzaakt door een stoornis in het maagdarmstelsel ten gevolge van verkeerd, of onverteerd voedsel. Door kramp in de buik neemt het paard een rare houding aan en dit geeft een verkeerde druk op de hoeven, het paard staat op de buitenrand, waardoor de wand loslaat.

hoef 2

Wat er gebeurt, lijkt op het loslaten van vingernagels, met dit verschil dat het paard op die vingers moet blijven staan. Hoefbevangenheid komt overeen met het spreekwoordelijke ‘de duimschroeven aandraaien’, met dien verstande dat die duimschroeven niet van buitenaf worden aangedraaid, maar van binnenuit.

ezeltjestrekje

Die pijn bestrijden heeft de hoogste prioriteit en het spreekt voor zich dat je de pijn dan niet wegneemt door het paard aan het lachen te maken, bijvoorbeeld door hem in een wei te zetten met een ezel die ongeveer dezelfde houding aanneemt. Het paard is nou eenmaal geen ezel, laat staan een ‘ezeltje strek je’, zoals in het sprookje van Grimm.

 

Nietzsche

Nietzsche was een van de eersten die bij zichzelf symptomen van een mentale hoefbevangenheid constateerde. Hij schrijft in Die fröhliche Wissenschaft (1882): ‘Kritik der Tiere. – Ich fürchte, die Tiere betrachten den Menschen als ein Wesen ihresgleichen, das in höchst gefährlicher Weise den gesunden Tierverstand verloren hat, – als das wahnwitzige Tier, als das lachende Tier, als das weinende Tier, als das unglückselige Tier.’

nietzsche-friedrich

Hij was van oordeel dat de mens, in tegenstelling tot het dier, depressief van aard is. In vergelijking met de hoefbevangenheid veroorzaakt door verkrampte darmen, ligt de oorzaak van depressie in verkrampte hersenen. Kramp die enerzijds wordt veroorzaakt door (erfelijke) vermogens van die hersenen zelf, anderzijds door wat men hen te verteren voorzet. Hoe overwint iemand een depressieve aard? Door zichzelf in de bek te kijken, dat wil zeggen: kennis te nemen van wat voor het vlees hij in zijn kuip heeft. En door je hersenen niet zomaar van alles voor te zetten. Zelfinzicht wordt dan geen kennis van vrijheden, maar een inzicht in je lichamelijke beperkingen en hoe je er goed mee kunt omgaan. Nietzsches beroemde Übermensch is niet iemand die anderen overheerst, maar een mens die zijn depressieve aard overwint door zichzelf te beheersen.

Zijn alle mensen per definitie depressief? Wellicht niet. Dus luisterde hij naar de uitspraken van hen die voorgeven hun depressieve aard te hebben overwonnen: wat vertellen zij? Hebben ze hun aard echt overwonnen, of doen ze alsof? Slikken ze soms medicijnen die niet nodig zouden zijn als ze rekening hielden met wat hun brein verdraagt? Ontlopen ze zichzelf misschien? Duiken ze onder in idolatrie, geldzucht, massahysterie? Of in het zich eindeloos vermaken met schandalen? In vijanddenken en oorlog? Verliezen ze zich in alcohol en drugs? Zijn ze verslaafd aan goede doelen? Of aan de never ending story van een Vergangenheitsbewältigung?

Met Nietzsches vraag doemt bij mij een beeld op van de kunstenaar Maurizio Cattelan. Het beeld stelt een hangend paard voor dat met zijn hoofd zit ingemetseld in een muur. Bij het zien van dit beeld komen verschillende vragen op, zoals: Welke gespierde sadist was bij machte een paard zo hoog op te tillen en het in te metselen? Of, wat beweegt een paard om zo hoog te springen en zich op zo’n manier te verhangen? Of, hoe wist het paard dat er aan de andere kant van de muur iets bijzonders te zien is en hoe houdt hij het vol om zo te blijven hangen? Of, wat een zielig beest, het dacht zeker dat er aan de andere kant iets te zien was. Of, wat een komisch dier, het steekt zijn spreekwoordelijke kop in het zand. Eén ding moeten we dit paard wel nageven, door zo te hangen aan een muur heeft het beslist géén last van hoefbevangenheid.

Centraal in Nietzsches filosofie staat de vraag hoe je jezelf onderzoekt en hoe je dat volhoudt zonder aan je aardsheid te gronde te gaan. In de kern draait zijn denken om een psychische pijn en hoe die is te doorleven en te overwinnen – in plaats van te gedogen, te negeren of te verdoezelen. Zijn filosofie wil een persoonlijke arts zijn èn rechercheur van de Westerse cultuur. Het is een denken dat maskers opspoort en de geaardheden erachter diagnosticeert – geaardheden niet enkel in de beperkte seksuele betekenis. Rüdiger Safranski wijst bij Nietzsche overigens wel op de aanwezigheid van homo-erotische sporen (Nietzsche – een biografie van zijn denken, 2000).

nietzsche salome

De foto

Er bestaat een foto van hem, samen met vriend Paul Rée en vriendin Lou Salomé. Als twee trouwe trekpaarden staan de mannen voor een kar, terwijl hun geliefde Lou Salomé erop zit en de zweep hanteert. Hij is degene die de kar trekt, de olijke vriend Ree staat meer naast de kar dan ervoor. Nietzsche maakt een afwezige indruk, hij kijkt in de verte terwijl de anderen in de camera kijken en oogcontact met ons maken. Hij kijkt weg, hij heeft niet ons maar iets anders voor ogen. Eigenlijk heeft hij ook geen tijd om zo lang stil te staan, hij wil door. Lou moet de zaak op rolletjes laten lopen, maar doet ze dat? Haar zweep, voor wie is die bestemd? Voor hem? Moet hij in het gareel worden gehouden? Of is die zweep bestemd voor Ree, om hem aan te sporen zodat er eens wat tempo wordt gemaakt?

 

De foto die het drietal liet maken, was bedoeld als parodie op Plato’s voorstelling van de menselijke ziel, het bekende beeld van de wagenmenner (het ik) die zijn twee paarden ment: het ene paard is gehoorzaam en redelijk, moedig en ambitieus, het andere paard is ongehoorzaam en wil alleen maar vreten, zuipen en paren. Deze twee moeten in de hand worden gehouden door een diplomatiek en berekenend verstand. Nietzsche lijkt te poseren als het ongehoorzame paard, want zijn gedrag wijkt af, hij kijkt ons niet aan. In plaats van te kijken, lijkt hij naar ons te luisteren. Het is alsof hij zijn hoofd naar ons toe neigt om te horen wat wij zeggen. Hij luistert niet naar de stem van zijn wagenmenner en dat is eigenlijk maar goed ook, want Lou zegt niets. Ze let ook helemaal niet op, ze ziet haar paarden helemaal niet en ze zet ook geen koers uit. Glimlachend kijkt ze ons aan. Blijkbaar meent ze dat haar charme en het vasthouden van de zweep al voldoende informatie biedt om ons ervan te overtuigen dat we weten waar we naar kijken. Ze lijkt van mening dat wij wel begrijpen dat deze foto maar een grap is en dat het plaatje verder niets voorstelt. Maar wat hoort Nietzsche?

Plato’s beeld van de ziel is fraai omdat het laat zien dat de ziel niet een eenzaam ik is, maar een samenspel van meerdere elementen. Het beeld maakt ook inzichtelijk dat zielepijn een pijn is die ontstaat als dat spel mislukt, een pijn is die wordt ervaren als een ‘in de steek gelaten zijn’. De foto, die als grap was bedoeld, is eigenlijk tragisch omdat Nietzsches zielenpijn erin doorschemert. Niet lang nadat de foto werd genomen, mislukte de vriendschap tussen hem, Lou en Ree. De mislukking speelde ongetwijfeld mee, toen hij jaren later in Turijn zichzelf als paard omhelsde. Die omhelzing had misschien voorkomen kunnen worden. Als hij bij de fotograaf het lef had gehad om zelf in de kar plaats te nemen, met Lou en Ree als trekpaarden ervoor, dan was er een foto ontstaan die een andere sfeer had opgeroepen. We hadden dan kunnen zien hoe een Adam en Eva samen hun denkende god op een kar het paradijs uit rijden.

Pijn

ScreenHunter_284 Jun. 03 21.48

Zijn leven lang leed Nietzsche aan migraineaanvallen waarbij hij soms het bewustzijn verloor en waardoor zijn lijf het uiteindelijk begaf. Paul van Tongeren schreef over de ziekte een fraai artikel in Trouw. Enkele dagen voordat hij geestelijk instortte, omhelsde hij in Turijn een paard, zo wil een beroemd geworden anekdote. Het gebeurt op 3 januari 1889: Nietzsche loopt op straat en ziet hoe een koetsier zijn paard afbeult. Hij rent er heen en slaat zijn armen om de hals van het dier en barst in snikken uit. De koetsier stopt met het geven van zweepslagen, maar de filosoof is een paar dagen later waanzinnig geworden. Elf jaar lang wordt hij verzorgd, eerst door zijn moeder en de laatste drie jaar door zijn zus. Zij is degene die zit te rommelen in zijn teksten, zodat het lijkt alsof zijn werk aansluit op de rassenpolitiek en het antisemitisme van de Nazi’s, terwijl hijzelf juist gruwde van zulke minderwaardige ideeën. Door de eigen zus werd zijn denken een griezelig masker opgezet, terwijl hij in zijn filosofie juist ontmaskerend wilde zijn.

De mythe

Hij overlijdt 25 augustus 1900. De paardenanekdote verschijnt enkele weken later in een Turijnse krant, het is dan voor het eerst dat iemand er melding van maakt. De schrijver is anoniem en niemand trekt de feiten na. Pas in 1930 wordt het bericht weer aangehaald en vanaf dan krijgt het algemene bekendheid en het wordt een legende. Pas in 1973 doet de Italiaanse schrijfster Ancleto Verrecchia er onderzoek naar. In haar boek La catastrofa di Nietzsche a Torino (1973) laat ze een opvallende overeenkomst zien met een scene uit het boek Schuld en Boete (1866) van Dostojewski. In deel 1, hoofdstuk 5 droomt Raskolnikov hoe dronken boeren een paard dood ranselen, hij wordt overmand door medelijden en valt het dode dier om de hals en kust het.

Er is alle reden te veronderstellen dat Nietzsches omhelzing van het paard inderdaad een mythe is. De schrijfster Verrecchia laat zien dat Dostojewski de bron van deze mythe was. De Russische romanschrijver gebruikte het beeld van het paard ter illustratie van de innerlijke strijd die Raskolnikov met zichzelf en het leed in de wereld levert. Nietzsche las werk van Dostojewski en hij had bewondering voor de schrijver, van wie hij zei dat het de enige schrijver was van wie hij als psycholoog nog iets had kunnen leren. Ook waardeerde hij diens gevecht tegen het nihilisme. Maar hij deelde Dostojewski’s antisemitisme en diens orthodoxe vroomheid allerminst.

dostojevski raskolnikov

Naar aanleiding van de mythe van Nietzsches omhelzing, verscheen in 2011 de film The Turin Horse. De film begint met het vertellen van de legende. Vervolgens wordt het troosteloze leven van het paard vertoond. Het is een naargeestige film waarin een afgeleefd paard uiteindelijk stopt met eten, weigert nog te lopen en sterft. Je kunt je afvragen of iemand het paard dan niet beter uit zijn lijden had kunnen verlossen, zoals de dronken Russische boeren doen.

Op eigen benen?

Veel Nietzsche-fans storen zich aan de mythe. Feit en fictie zouden teveel door elkaar lopen, in werkelijkheid zou Nietzsche nooit een paard hebben omhelsd. Hij zou eerder een afkeer van paarden hebben gehad, aangezien hij in 1868, nadat hij zich als vrijwilliger had opgegeven voor de Pruisische artillerie, een pijnlijke blessure had opgelopen toen hij in het zadel sprong en met zijn borst op de pommel terecht kwam. Hij scheurde zijn borstspieren daarbij en kon maandenlang niet lopen. Maar het grootste bezwaar dat zij tegen de mythe hebben, is dat Nietzsche medelijden zou hebben getoond. Want hem in verband brengen met medelijden, is vloeken in de kerk.

pferd nietzsche

Zij vrezen dat er met die omhelzing een vertekend beeld van Nietzsche ontstaat. Ze willen niet dat hij wordt gezien als iemand die aan het einde van zijn leven zwichtte voor de Dostojewskiaans-christelijke moraal van schuldgevoel en medelijden (met de vrouw in de rol van het geweten). Zij wijzen erop dat het juist die moraal was waar de filosoof steeds tegen ageerde. Hij maakte zich ook ernstige zorgen over die moraal en voorspelde dat het tot weinig goeds zou leiden. En inderdaad roepen de jaartallen 1914-1918 en 1940-1945 gruwelijke beelden op.

En hoe staan we er nu voor, in 2016? Zijn we onze hoefbevangenheid de baas? Of is er te constateren dat, ondanks de relatieve welvaart, er in de psychische situatie nog weinig is veranderd? Of, erger nog, dat het erop lijkt dat hoefbevangenheid een besmettelijke ziekte aan het worden is? Wie kan er nog op eigen benen te staan? Hangen we niet allen met de kop aan een blinde muur?

Een sprookje

Ik zou Nietzsches omhelzing van het paard geen mythe, maar een sprookje willen noemen. In sprookjes klinkt volkse wijsheid door. En de ervaring leert dat hoe kleiner en fijner het volk, hoe groter de wijsheid. Laat ik mijn sprookje beginnen met het boek Schuld en Boete van Dostojewski dat in 1866 uitkwam. Gezien het jaartal kan Nietzsche de roman gelezen hebben, maar dat vermelden de tegenstanders van de mythe niet. Als hij de roman las en dus die scene van het paard kende èn hij omhelsde in Turijn zelf een paard (wat natuurlijk nooit is te bewijzen), wat zegt dat dan? Het betekent dat hij werd getroffen door het gebeuren van een koetsier die een paard afbeult. Het trof hem omdat hij zich met de gebeurtenis identificeerde: hijzelf was die koetsier. En tegelijkertijd was hij het paard dat onder de zweepslagen bezweek. Zijn ik was te wreed geweest voor het lijf dat de kar trok. Streng wilde de ik zijn omdat ‘t zich had voorgenomen zichzelf te doorgronden. Maar het was erin doorgeschoten, want kijk, dat paard kon immers niet meer.

nabokov paard

Er bestaat tussen Dostojewski’s romantische medelijden en het filosofische medelijden van Nietzsche een groot verschil. Het verschil tussen beide is dat het zelfmedelijden niet een huilerig medelijden is met anderen, maar een intens verdriet om zichzelf. Nabokov, de Russische schrijver die in 1917 van huis en haard werd verdreven, had weinig waardering voor zijn literaire voorganger en landgenoot. Hij ergerde zich aan diens inconsequente ideeënwereld en hij had een hekel aan de vulgaire, sentimentele en hysterische personages. Andere critici vellen een positief oordeel, zij vinden dat de pathetiek en de vulgariteit van de karakters juist wezenskenmerken van het ware leven zijn. De vraag is daarbij dan wel wat zij onder het ware leven verstaan. En ook zou ik willen weten hoe zij dan Nabokovs Lolita lezen. Ik las die roman als de ontmaskering van hen die aan Dostojevski’s moraal positieve waarden denken te kunnen ontlenen. Lolita is Nabokovs paardensprong waarmee hij het nakijken geeft aan hen die iets positiefs denken te ontlenen aan een vulgair leven. Wie dit onzin vindt, leze eens From time to time (1974), over de escapades van de beroemde theoloog Paul Tillich met jonge studentes – escapades die een filosoof als Heidegger (1889-1976) overigens ook niet vreemd waren, getuige diens onlangs gepubliceerde en weinig verheffende briefwisseling ‘Mijn lieve zieltje!’ (2005).

Zelfmedelijden

Nietzsche z’n omhelzende gebaar vind ik troostrijk. Wie geen zelfmedelijden erkent en het bij zichzelf niet toelaat, loopt risico’s. Hij raakt dan bijvoorbeeld verslaafd aan escapades, of droomt zich een medelijden. Een romantisch medelijden is een maskerade, het is feitelijk een trekken aan een dood paard.

Nietzsches gebaar van de zelfomhelzing maakt nog iets anders zichtbaar. Het laat de grens zien tussen wat menselijk is, en wat niet. Het gebaar is een grens, of muur die het verschil aangeeft tussen strengheid en zelfdiscipline enerzijds, en de ontaarding in verslaving en sadisme aan de andere kant. Wie de scheidsmuur uit het oog verliest, gaat zich te buiten aan loze gebaren en hysterie, of verliest zich in verslavende wreedheid en vulgariteit.

Het innerlijk

Maar waar ligt die grens dan precies? En ligt deze voor altijd vast? Hoe stevig staat eigenlijk die muur? En lopen we echt vast als we er toch doorheen willen breken? Is zelfmedelijden dan de meest ideale manier om het met onszelf uit te houden? Is er echt alleen maar hel en verdoemenis aan de andere kant van die muur?

Met ander woorden, ik zal me zelf van de aanwezigheid van zo’n muur moeten overtuigen. Een paard laat zich afschrikken door muur of hek, maar het paardige niet. Daarom zal ik een doorbraak forceren en gaan kijken wat zich achter Maurizio’s muur bevindt. Voor een paardse reis naar het eigen innerlijk is het vereist dat ik met de benen op de grond sta en me niet begeef op een pad van esoterisch gepelgrimeer. Het betekent ook dat ik niet steeds zal omkijken naar wat anders had gemoeten of wat beter had gekund. Het paardse heeft een vooruitziende blik.

Wordt vervolgd