toetsenbord-paard1

Toets der kritiek

Wie tot de kern van een zaak wil doordringen, doet er goed aan vooraf een inschatting te maken van het te behalen resultaat. Het is nooit de kern die het resultaat bepaalt, het zijn de omstandigheden die het ‘m doen. Want hoezo, de kern? Het maakt verschil of je naar de kern wilt tijdens het slijpen van een diamant, of bij het pellen van een ui. Of terwijl je met iemand praat over koetjes en kalfjes, of over het paardige. Doet de kern dan niet ter zake? Zeker wel, waar zouden we anders in willen doordringen?

Iets in de kern raken, betekent gebruik maken van een wil die doorgrondt – en dat is een uitgesproken aardse wil. Naast deze ene wil zijn er nog drie andere te noemen: een wil die verluchtigt, één die verdiept en één die aanvuurt (lucht, water, vuur). Ze leiden naar andere doelen. Hoe nu ontstaat de wil die doorgrondt? Ik denk dat het een erfelijke eigenschap is. De wil is, om met Aristoteles te spreken, al in de kiem in iemand aanwezig en groeit uit en ontwikkelt zich. Hoe hij werkt? Kijk naar hoe de aarde werkt: hij beweegt en hij trekt aan.

Oorsprong en doel

Doorgronden draait om het verlangen te willen weten wat aantrekt. Massa (de aarde) trekt aan. Maar als individu interesseert me die massa geen bal. Het gaat me niet om massa, maar om iets specifieks, iets individueels. Niet wat aantrekt, maar het aantrekkelijke is waar het om draait bij de wil tot doorgronden. Deze wil moet eerst vaste grond onder de voeten voelen, de kiem moet gelegd zijn en iemand moet de wil in zichzelf herkennen. Wie de wil tot doorgronden van nature niet eigen is, kan het niet. Dat is trouwens niks erg, want de andere willen zijn er nog: die verluchtigen, verdiepen, of aanvuren.

Herkenbaarheid

Hoe is deze wil te herkennen? Daarvoor is distantie nodig. Want wie zich in de massa ophoudt, zit er met de neus bovenop en zal zich tevreden moeten stellen met het aangetrokken zijn. Hij ziet het aantrekkelijke simpelweg niet en ervaart niet de drang deze te doorgronden.

Zonder goed gereedschap gaat doorgronden evenmin. Ik heb weliswaar mijn blote handen waarmee ik graven kan, maar een schep werkt beter. Een schep? Ik herken de schep als schep als ik merk dat het ding me helpt bij het graven. En de aantrekkelijkheid van de schep? Die herken ik als ik beter graaf en mijn handen spaar en schone nagels houd – kortom, het is de handigheid van de schep, z’n functionaliteit. Maar ook herken ik de schep z’n aantrekkelijkheid in de mate van z’n volheid van schep-zijn. Dat wil zeggen: in z’n fraaie vormgeving, z’n duurzaamheid, het materiaal waarvan hij gemaakt is, de bewerking en de afwerking ervan.

Samenvattend is te zeggen dat het blote (van mijn handen) tot op zekere hoogte wel werkt, maar goed en mooi gereedschap werkt beter. En het doorgronden van het aantrekkelijke gebeurt op basis van herkenbaarheid.

Het aantrekkelijke 

Met de notie van herkenbaarheid komen twee belangrijke aspecten van het aantrekkelijke in het vizier, namelijk mededeelzaamheid (het aansprekende) en het tijdige (duurzaamheid). Nogmaals de schep. De mate waarin hij mij aanspreekt bepaalt of ik hem aantrekkelijk vind of niet. En zijn duurzaamheid is bepalend voor de tijd dat ik het met hem uithoud (bepalend is natuurlijk ook mijn eigen handigheid en voorzichtigheid).

Het tijdige (duurzaamheid)

De filosofe Joke Hermsen brengt de thematiek van het tijdige ter sprake in boeken met titels als: Stil de tijd – pleidooi voor een langzame toekomst. En: Kairos – een nieuwe bevlogenheid. In haar boeken valt op dat er niet zozeer van doorgronden sprake is, maar van luchtigheid en bevlogenheid. In Windstilte van de ziel zegt ze: ‘Het enige wat ik tot dusverre van Aristoteles wil aannemen is dat de ziel als het ware de blaasbalg voor het leven is’ (p. 33). Bij Hermsen zocht ik vergeefs naar handreikingen voor het doorgronden. Haar begrip van het tijdige blijkt een vorm van op adem komen te zijn in een tijd die haar de adem beneemt. Ze doorgrondt niet, ze wandelt liever. ‘Wandelen is een vorm van luchten van de ziel’ (p 63). In Windstilte stoort ze zich aan de filosoof Gerard Visser die de ziel beschouwt als pure individualiteit – en uiteindelijk als dat wat die individualiteit opheft. Hermsen vindt zijn beschouwing (Niets cadeau, 2009) maar zonde van haar tijd. ‘Precies op het moment dat hij de ziel in het vizier heeft gekregen wil hij datgene opgeven waar deze aanvankelijk garant voor stond, namelijk onze ‘aller-individueelste’ individualiteit. () Spannender is dan ook voor mij Nietzsches poging om de ziel als ‘subject-veelheid’ te denken’ (p. 46). Joke Hermsen blaast hoog van de toren, want Gerard Visser geldt als een Nietzsche kenner bij uitstek. Wat haar volgens mij parten speelt, is dat ze het wezen van het doorgronden niet onderkent. Dat wezen ligt in de aantrekkelijkheid. Als individu kan iemand zijn uiterste best doen om aantrekkelijk te willen zijn, uiteindelijk draait het er toch op uit dat je door iemand anders aantrekkelijk gevonden moet worden. Kortom: aantrekkelijkheid ligt uiteindelijk in het aantrekkelijk gevonden zijn. Hermsen ziet dit niet en spreekt haar voorkeur uit voor een ‘subject-veelheid’. Maar dat is helemaal geen aantrekkelijkheid, het is betrekkelijkheid. Een zwaktebod wat mij betreft, want aantrekkelijkheid vind ik spannender. De vergissing die Joke Hermsen begaat, is verklaarbaar vanuit een eigen overtuigd zijn van de volheid van aantrekkelijkheid. Ze lijkt zeer overtuigd van haar eigen aantrekkelijk gevonden zijn. En dat is nou net het zijn dat bij Gerard Visser nog uit staat. Wat Joke Hermsen in het doorgronden parten speelt, is haar zelfvoldaanheid. Ze houdt te weinig distantie tot de massa die aan haar trekt.

Het aansprekende (mededeelzaamheid)

Mededeelzaamheid is een zaak van de tong. Kunnen aanspreken is een kwestie van smaak, van goed kunnen proeven. Wat? Woorden proeven? Dat gaat natuurlijk niet. Toch wel. Niet met de blote tong, maar met gereedschap: de pen. Sinds mensen de pen hanteren, spreken ze in dit verband ook wel van het wegen van woorden. Hiermee zijn we nu bij de kern van de zaak aanbeland. Die kern is te definiëren als: aansprekende duurzaamheid. Dat bijvoorbeeld de taal van Joke Hermsen mij niet aanspreekt, is te verklaren uit het feit dat die taal te weinig individueel is en niet doorgrondt.

En wat heeft het paard hiermee van doen? Alles! Gedurende duizenden jaren heeft het paard de metaforische kar getrokken. Al sinds Plato fungeerde het paard als metafoor voor de ziel.

Taal

Eeuwenlang was het paard een belangrijke fysieke realiteit. Hij stond voor kracht en betrouwbaarheid. Hij stond ruim honderd jaar geleden zijn plaats af aan het mechanische en technische. En onlangs heeft de pen zijn autoriteit afgestaan aan het toetsenbord. De kunstenaar Babis Pangiotidis geeft een hint met zijn kunstwerk, hij maakte een paard van toetsenborden. Dit paard stelt opnieuw de vraag naar de kracht en de betrouwbaarheid van de techniek die nodig is bij het doorgronden.

Actueel is de vraag of, en hoe, de techniek het paard daadwerkelijk kan vervangen. In de film The Cell (2000) wordt die vraag ook gesteld. De film gaat over de reis van een vrouw die met behulp van moderne techniek door het brein van een seriemoordenaar reist. Ze probeert het wezen van zijn moordenaar-zijn te doorgronden. Het paard komt er in dat brein niet goed vanaf. De film laat zien dat trouw-zijn ook kan betekenen dat iemand verslaafd is aan de wil tot tot pijnigen en gepijnigd willen worden. In de vorige blog kwam dit al ter sprake bij het paard van Nietzsche. Ik kom hier in een andere blog op terug bij een analyse van het paardige bij de filosoof Foucault.

cell horse split

Het maatschappelijke

Foucault heeft laten zien dat herkenbaarheid en mededeelzaamheid maatschappelijk gezien tijdelijke fenomenen zijn. Er kunnen perioden zijn waarin vergeefs naar herkenbaarheid wordt gezocht omdat in de taal een maatschappelijke overeenstemming ontbreekt.

In dit verband is te wijzen op een begrip als ‘zelfontplooiing’. Het begrip diende in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw als antropologisch model. Het woord ontstond in de humanistische psychologie en groeide uit tot een algemeen aanvaard begrip. De aantrekkelijkheid van het woord is wel te verklaren. Er klinkt een natuurkracht door, een kiemkracht. Anderzijds verwijst zelfontplooiing naar de eigen wil die zich onafhankelijk van de natuur voortbeweegt. Het woord bevat een stelligheid die verband houdt met eigengereidheid en een emancipatorische wil. Wie zichzelf ontplooit, bevrijdt zich van knellende zaken. Wie zichzelf ontplooit, bevrijdt zichzelf en maakt zich bijvoorbeeld los van een beklemmend milieu of verwerpt gevestigde normen omtrent seksualiteit.

Zelfbeeld

In de periode na WOII was het jezelf bevrijden bepalend voor het zelfbeeld, het was maatschappelijk gezien in de mode. Het woord zelfontplooiing kwam in de jaren 70 in gebruik, het waren vooral de baby-boomers die dachten er hun voordeel mee te kunnen doen. Echter, wie wil doordringen tot de kern heeft weinig aan dit woord omdat het afleidt van de zaak zelf. De zelfontplooier laat zich typeren als iemand die meent met losse flodders een oorlog te kunnen beslissen. Het proces van de zelfontplooiing laat zich beschrijven als de situatie van een blind paard dat in de porseleinkamer is losgelaten. En nu de vloer vol scherven ligt, is er geen zelfontplooier bereid om die scherven te lijmen. Wel vraagt hij zich verontwaardigd af waarom er niemand is die hem zijn pensioensgerechtigde kopje thee serveert. zorro

Willen doordringen tot de kern is geen uitbreken of zoeken naar vrijheid, het is een inbreken dat een masker opzet en zichzelf onzichtbaar maakt, zoals een inbreker doet. Geen zelfontplooiing, maar zelfbeplooiing! Wie doorgrondt, gaat te werk als een dief die inbreekt bij zichzelf.