screenhunter_382-aug-24-21-06

Lucepérd

In de poëzie van Lucebert (1924-1994) vinden vaak omkeringen plaats. Dat gebeurt bijvoorbeeld in het gedicht Visser van ma yan, waarvan de tekst luidt: ‘onder wolken vogels varen / onder golven vliegen vissen / maar daartussen rust de visser // golven worden hoge wolken / wolken worden hoge golven / maar intussen rust de visser.’ Over de juiste interpretatie van dit gedicht zijn de meningen verdeeld en dat komt omdat het omslagpunt – de in rust verkerende visser – verschillend wordt gewaardeerd. Is hij de spil waar alles om draait, of de speelbal der elementen? Hoe dan ook, het is de vraag of de waardering zelf wel in evenwicht is als de betekenis van de vissersvrouw – zij is in dit gedicht niet in beeld – wordt genegeerd. De rust van een visser kan niet zonder haar. In andere gedichten noemt Lucebert haar wel, zelfs haar naam: Lilith. In Luceberts poëzie veranderen werkpaarden in luxepaarden – en omgekeerd. Lilith is zijn luxepaard, inspiratiebron voor hemzelf als dichtend werkpaard – en omgekeerd. Samen zijn zij de kern van het gedicht.

screenhunter_432-sep-16-23-49

Lucepérd (spreek uit: lûdsjepeerd) had eigenlijk Kapseizend paard (2) moeten heten, aangezien deze blog voortborduurt op de dichtbundel Liederen van een kapseizend paard, van Els Moors. Ik trof in haar gedichten een melancholie aan waarvan ik nu de oorsprong opspoor. Die oorsprong vond ik in de poëzie van Lucebert. Meer specifiek: de melancholie is te herleiden tot de vrouwenfiguur Lilith die in zijn poëzie opduikt en weer verdwijnt. Ik begeef me op glad ijs met zo’n bewering, want hoe zou ik als man kunnen pretenderen de melancholie van een vrouw te kennen? Freud dacht dat ie ’t kon, maar van diens analyses werd niemand veel vroidiger.

Om te voorkomen dat we elkaar onderweg kwijtraken, bijvoorbeeld omdat iemand in een wak verdwijnt, volgt hier de routebeschrijving. De start van het parcours vormde Liederen van een kapseizend paard van Els Moors uit de vorige blog. Nu, in deze blog, bind ik schaatsen onder. Die zijn nodig omdat ik op zoek ga naar de betekenis van de naam Lilith uit het gedicht lente-suite van Lucebert. Als tenslotte (dan zijn we twee bloggen verder) ook de relatie tussen Lilith en het paardige is onderzocht, kan er worden gefinisht.

screenhunter_425-sep-13-19-41

Het paard in Els Moors gedichtenbundel ‘Liederen van een kapseizend paard,’ bleek een verwijzing te zijn naar het schilderij De Nachtmerrie van Henry Fuseli (1781). Lucebert tekende er een eigen versie van (zonder paard). Els maakt in haar gedichten verwijzingen naar Lucebert en ze doet dit onder andere met een zin als: ‘stem de crew gunstig respecteer de analfabetische hiërarchie (p. 16). Hier refereert ze aan Luceberts debuut ‘de analphabetische naam’ uit 1952. Eerder schreef hij de bundel apocrief, met de beroemde lente-suite voor Lilith. Ik citeer dit fragment: ‘o-o-oh / zo god van slanke lavendel te zien / en de beek koert naar de keel / en de keel is van de anemonen / is van de zee de monen zingende bovengekomen () laat zij geuren / pagodegeuren / lavendelgoden / geuren () zal zij zijn / de kleinegichelversierdevitrinelilith? () ik ademhaal ik jaag het hippende licht / knip knip.’

screenhunter_383-aug-24-21-42

Els dicht: ‘onthutsend zal ik openklappen / klap klap’ // zoals de zee de hemel neemt / en transformeert / tot zilte wolken / golven stormen // morgen’ (p. 35). En: () ‘een luxueus likkende / leegte van lavendel’ (p. 43). En: () ‘ik gedoog dat ik werd geschapen / en raak me aan ik ben een en al / zeeanemoon () mijn eenzame spraak / is kuis als het water van / een oceaan maar dan van / voor hij door de wereld / als stortplaats werd gebruikt’ (p. 60).

Interessant is het volgende vers waarin ze Lucebert direct lijkt aan te spreken: () ik heb de geest die jouw hemel / met deze aarde enz… // denk aan een paard / verlustig je aan zijn ranke flanken / en kijk dan / hoe ik het bestijg (p. 48)

In z’n vroege jaren klinkt Lucebert bevlogen en provocerend. Hij dicht dan met een bevlogenheid die wordt gedragen door Lilith, die op haar beurt door hem uit de zee omhoog werd gehaald. Hoe? Dat is het geheim van de smid. Ik hoopte dat geheim met behulp van de poëzie van Els Moors een beetje te kunnen ontrafelen, maar dat lukte niet. Waarom niet? Ik denk omdat zij zich in haar poëzie nogal identificeert met Lilith. Bij Lucebert ondergaat Lilith een metamorfose en Els heeft deze volgens mij niet gezien. Daarom ging ik met haar gedichten kopje onder en moest ik mijn best doen het hoofd boven water te houden.

hans-baldung-aristoteles

Haar aanspreken van Lucebert heeft op zijn beurt ook weer iets provocerends: ‘denk aan een paard / verlustig je aan zijn ranke flanken / en kijk dan / hoe ik het bestijg’

Het beeld dat dit vers bij mij oproept, is dat van ‘Aristoteles en Phyllis’ van Hans Baldung (1484-1545).

screenhunter_439-oct-03-21-28

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De ets toont een scene uit de legende van de mooie Phyllis die de oude filosoof het hoofd op hol brengt en hem zelfs zo gek krijgt dat hij haar op zijn rug laat rijden. John Stork maakte van de ets een schilderij (2008) dat laat zien hoe de filosoof met haar rijdend op z’n rug richting het water gaat. Dit schilderij is interessant omdat het een antwoord toont op de vraag naar de oorsprong van de onderzeeërs die in de gedichten van Els Moors voorkomen.

Glad ijs

Mijn voornemen om over water te leren lopen en ik, we deden er achteraf gezien goed aan te hebben gewacht tot de winter kwam. De weg van Lucebert proberen te volgen, is namelijk een hachelijke onderneming. Ik wachtte en wachtte, tot golven geen golven en de wolken wolken waren. Intussen las ik haar poëzie en ook de zijne. (Is het iemand opgevallen dat het slecht wintert in de poëzie van Lucebert?) Toen was het zover. IJs. Ik zette mijn voet erop. IJs waarover niemand nog gelopen had, laat staan geschaatst. Eng, ik als eerste. Voetje voor voetje schuifelde ik er overheen en keek naar beneden. (Iemand schrijft dat Lucebert doodsbang voor water was.) Toen zag ik iets onder het ijs, iemand, een man. Z’n gezicht zag ik niet. Zoiets kan gebeuren niks meer aan te doen, dacht ik. En terwijl ik aanstalten maakte verder te gaan, zag ik dat er iemand achter me stond. Ik draaide me om en zag wie zij was. Naar het ijs wijzend, zei ze: ‘Hij daar, ze zeggen dat ik het ben.’

screenhunter_433-sep-17-22-45

Ik knikte. Zij aan zij keken we naar de gestalte onder het ijs en ik zei: ‘Hij moedigde kinderen aan te zingen zoals ze gebekt zijn, te tekenen op hun manier: een gezicht als een schip als een huis. Hijzelf, de rattenvanger van stamelen, toverde het ene gezicht na het andere tevoorschijn: als een wolk een telraam een dolk.’

Zij: ‘Alles van waarde is weerloos, maar niet al het weerloze is volwaardig. Mij hij mans genoeg bracht me louche tranen en ijs ’t offer van de zwijgzaamheid. Zo’n gezicht! Zelden nog is de nacht de dempende vacht voor vogelachtig gefluister. Als kind bereed ik ‘m nota bene ’s winters, maar hij hield zich Oost-Indisch doof. ‘t Dier der democratie sloeg dat alles gade. En nu, heel z’n kamer is raam, te watertanden valt er niets.’

‘Raakte hij er verzeild omdat hij ‘t verschil niet zag tussen groen en bruin?’ flapte ik eruit.

Zij: ‘Daartussen is ’t zomer, vorst zag hij niet. Waar bevroren wolven hinkten, hinnik ik. Water en klamme lucht vermaakte hij tot moeder, of veranderde ze in wijn. Mij liet hij door deinende scherven zwemmen en nu verpoost de stem met de losse handjes bewogen onder de Klaagmuur.’

‘IJlings afgedropen zijn de zwanen, maar niet de Friezen!’ riep ik. ‘Die beheersen ‘t dialectieke dialect, kennen de reden van de rede. Hun redens brengen je van de regen uit de drup.’

Ze lachte.

Ik: ‘Goed en wel gebotteld, de opdoffer, de pegel, zoeker en tiptop kind van z’n getij. ‘t Geloof dat orpheus’ lied stenen ophief en ze zweven deed, verhult niet dat onder snikken en grimlachjes moerasdraverij zijn schrijftafel bleef. Aber das macht ja nichts, wo aber die gefahr ißt, scheißt das rettende auch! Doorgewinterde duiven vinden hun nesten ook in het donker.’

Zij: ‘Man, kom op dan! Wegwezen hier. Spring, m’n rug op. Weg uit dit poppenhuis van lidteekens. Mee, zodat wij van a tot z in Groenlands dwaaltuin de komst van bruiklenigen zien en er aan komen.’

En ik bedacht me geen telg en ik sprong.

mac_patrick-bernatchez_resized

 

(Met dank aan Mark Wallinger voor de paardenportretten, tentoongesteld in De Pond te Tilburg. En veel dank aan Patrick Bernatchez voor zijn kunstproject Lost in Time)