Magritte_6667_small_large@2x

De vlucht van Issaschar – eerste deel

 

1.

HALTEBANG. De naam voor de band vond ze op een dag toen ze lijnen trok tussen de steden waar de leden geboren waren. Een lijn van Havanna naar Leningrad en een lijn van Teheran naar Bangkok. De lijnen kruisten elkaar in de stad Groningen. Alweer tien jaar geleden.

Ze bladerde in het fotoalbum en bekeek de foto’s. Op elke foto stak haar gezicht bleek af bij de lachende gezichten van de anderen, terwijl ze vandaag juist hoopte iets opbeurends op de foto’s te ontdekken. Joans donkere huid straalde warmte uit. En Irmgard leek een bosnimf met die groene ogen. Zijzelf stond er verloren bij alsof ze uit de Russische misère zó het podium was opgestapt. Mischa was een verhaal apart, weduwe van middelbare leeftijd die met haar dochtertje Iran was ontvlucht, tegelijk met de Sjah.

Ze was halverwege de middag gestopt met repeteren. De concentratie was er niet, haar spel klonk mat. Ze had de saxofoon in de hal neergezet, waar Lenin vanaf de poster aan de wand over het instrument en over ieders toekomst waakte. Ze wist wat eraan mankeerde, ze had de brief nog niet lezen. Op zijn sterfdag las ze altijd de brief.

Ze nam haar vaders brief uit de la en liet haar blik over het vertrouwde handschrift gaan. Het liefst wilden haar ogen ravotten met de vertrouwde Russische woorden, maar ze hield ze strak aangelijnd. Ze kende de inhoud immers en wist maar al te goed dat ze het enthousiasme moest temperen. Ze was er klaar voor, het jaarlijkse ritueel kon beginnen.

 

Moskou, 13 september 1979

 

Mijn lieve Irina,

 

Irina, het gaat niet goed met mij. De arts heeft me onderzocht en  hij is weinig mededeelzaam en dat is een slecht teken. Ik wil je wat vertellen. Je was nog klein en vroeg me indertijd waar ik jouw saxofoon vandaan had. Ik gaf je toen geen antwoord, maar nu zal ik dat doen, want ik houd van je. Je hebt recht op het antwoord. Je zult schrikken van wat ik ga vertellen, maar bedenk dat ik van je houd.

    Op mijn dertigste jaar zat ik in de loopgraven bij Minsk. We dronken wodka en hoorden in de verte het kanongebulder, het was juli 1941. We wisten dat we de opmars niet konden stuiten, hoogstens vertragen, maar ik zei dat we ze met Stalin en Gods hulp konden verslaan, terwijl ik helemaal niet in God, noch in Stalin geloofde. Toch zaten we ’s avonds met gevouwen handen in de loopgraaf en de officier zag dat ik een gunstige invloed op de mannen had. Hij bevorderde mij tot kapitein.

    De volgende dag hoorden we de kanonnen dichterbij komen en bevonden we ons in de vuurlinie. Moesten we aanvallen of vluchten? Ik wist het niet. Ik gaf het sein tot de aanval. Ze stormden op mijn bevel naar voren en ik zag de tanks op hen in rijden. Toen schreeuwde ik het bevel tot terugtrekken. De enkeling die het hoorde, keek verbaasd achterom en liep door. Ik was de enige die het geweer liet vallen en het hazenpad koos.

    Mijn uniform verwisselde ik met de kleren van een boer die ik dood langs de kant van weg vond. Door me schuil te houden in de bossen, bracht ik het er levend af. In Ratomka kreeg ik onderdak van een vrouw, haar naam was Lena, ze was een Duitse en had een dochtertje dat Anna heette. Haar man, een joodse muzikant, was weken daarvoor al gevlucht. Bij haar was ik veilig.

    Twee jaar voerde ik haar kippen, kapte hout en bebouwde het stukje land. De kleine Anna leerde ik lezen en ik vertelde haar sprookjes voor het slapengaan. ’s Nachts beminde ik Lena. Als ik ergens in had geloofd, dan was ik gesneuveld net als de anderen. Maar ik geloofde niet en leefde. Ik voelde me geen lafaard, integendeel, elke dag was een triomf op de dood. De bijen op de bloeiende rozenstruik, een haan die kraaide, de duiven op het kruis van de orthodoxe kerk, zwaluwen die over de toppen van de bomen scheerden. Ik kan me die dingen precies herinneren omdat ik er intens van genoot.

    In het dorp verderop woonde een imker die kaarsen van bijenwas verkocht. Op de dag voor kerst ging ik naar hem toe en ruilde onze bramenwijn voor kaarsen. Hij zei dat de oorlog niet lang meer kon duren omdat ons leger op vijf december een offensief was begonnen en de vijandelijke troepen had teruggedrongen tot achter de Wolchow. Wjasma en Smolensk zouden spoedig worden bevrijd.

    Op de terugweg, terwijl ik in mijn eentje door het bos liep, zag ik in gedachten de tanks weer aankomen en ik hoorde het geschreeuw van mijn mannen. Ik bezocht de imker wekelijks en we luisterden naar de radio. De vijand hield nog wekenlang stand, maar op een avond reden er Duitse colonnes door het dorp, niet in oostelijke richting, maar terug naar het westen.

    Lena vroeg me wat ze moest doen, ze was Duitse, moest ze met de troepen meegaan? Ik stelde haar gerust en zei dat ze moest blijven. Waarom vluchten, haar viel toch niets te verwijten?

    Enkele dagen later trokken de Russische troepen langs. Honderden gammele tanks, waarvan sommige er goed uitzagen, maar die waren veroverd op de vijand. Wanordelijke groepen soldaten liepen tussen de tanks en daarachter de scherpschutters met een geweer op de rug, honderden, allen vrouwen met grimmige gezichten, een griezelige optocht van Baba Jaga’s. En helemaal achteraan reed een colonne boerenkarren beladen met kinderen, kippen, varkens, stro, voedsel en munitie. Dat was dus Stalins leger. Het had veel weg van een volksverhuizing, een invasie van zigeuners.

    ’s Avonds werd er op de deur gebonsd, het waren soldaten die om eten vroegen. Natuurlijk wilden wij een offer brengen en we gaven wat we missen konden. Even later zag ik ze in de tuin bezig boven een vuur onze kippen te braden. De wijn die we hadden afgestaan, ging rond. Toen het donker was, sommeerden ze ons bij hen te komen zitten en ik merkte dat het geen toeval was dat ze onze kippen opaten. Ze maakten grappen over Lena’s Duitse afkomst.

    Eén van hen stond plotseling op, wees naar mij en riep: ‘Ik ken jou, Dantsjenko! Twee jaar geleden, bij Minsk. Ik zal je wat zeggen, ik heb jouw geweer!’ Hij hield het wapen omhoog en richtte het op mij. Ik dacht dat hij me ter plekke zou doodschieten, maar dat deed hij niet.

    Terwijl ze me vastbonden, vertelde hij wat er bij Minsk was gebeurd. Ze doorzochten het huis en vonden de flessen die we hadden achtergehouden. Ook de saxofoon die Lena’s man had verstopt, werd gevonden. Lena en de kleine Anna bonden ze ook vast, elk aan een boom. Daarna gingen ze weer bij het vuur zitten drinken en zongen liederen. De saxofoon ging van hand tot hand, om beurten bliezen ze erop en probeerden er een geluid uit te krijgen. In stilte hoopte ik dat we het er nu dankzij de gevonden flessen levend vanaf zouden brengen. De kerels hadden plezier en werden dronken. Ineens klonk er een vloek en ik zag dat één van hen de saxofoon omhoog hield en naar mij wees.

    ‘Speel jij wat voor ons!’

    ‘Ja, hij moet voor ons spelen!’ riepen ze allemaal.

Ze sneden me los en hij duwde me het ding in handen. Ik blies erop maar er kwam geen geluid.

    ‘Speel, of we schieten die Duitse hoer dood!’

    ‘Ja, speel of ze is er geweest!’ schreeuwden ze in koor.

    Ik blies wat ik kon, maar er kwam geen geluid. Ik huilde en smeekte dat ze mij moesten doodschieten, niet haar. Ze lachten me uit en er klonk een schot. Daarna gingen ze weer zitten drinken alsof er niks was gebeurd. Ook dwongen ze mij bij hen te zitten en te drinken. Ik dronk omdat ik dacht dat nu in elk geval Anna het er levend vanaf zou brengen.

    ‘Hij kan vast wel spelen op dat ding,’ riep een van hen. ‘Hij heeft het expres niet gedaan! Speel kameraad, één toon volstaat! Je wilt toch niet dat we ook het kleine meisje moeten doodschieten?’

    ‘Het meisje? Nee, dat mag hij ons niet aandoen!’ riepen de anderen.

    Hij duwden mij het ding in handen en ik probeerde het opnieuw. Met de moed der wanhoop blies ik totdat ik naar adem snakte, ik voelde me duizelig worden en kokhalsde.

    ‘Je mag het ons niet aandoen!’

    ‘Nee, niet het meisje!’

    ‘Dantsjenko! Alsjeblieft! Eén toon volstaat!’

Ze schreeuwden door elkaar en vielen smekend voor mijn voeten. Na het schot sloeg een van hen me bewusteloos. Toen ik bijkwam, waren ze weg, het vuur smeulde nog. De saxofoon lag naast me op de grond. In het donker begroef ik hen, maar de saxofoon nam ik mee. Twee dagen later trof ik de troepen uit Kiev en sloot me bij hen aan.

    Lieve Irina, ik ben opgelucht dat ik het heb opgeschreven. Je weet het nu. Ik wilde zelf leren spelen maar had er de kracht niet toe. Jij had veel talent. Meisje, ik ben je zo dankbaar. Ik houd van je. Papa.

 

Gewoontegetrouw zou ze de vellen nu hebben teruggedaan in de envelop, maar dat deed ze niet. Ze bleef zitten staren en dacht na. Weer een heel jaar was voorbijgegaan, het zoveelste mislukte jaar. En ze had trouw de brief weer gelezen. Waarom eigenlijk?

Ze was er ooit mee begonnen uit respect voor wat er was gebeurd. Ze had medelijden gevoeld. Maar vandaag kreeg ze bij het lezen van zijn brief een wee gevoel dat ze niet goed kon thuisbrengen.

Waarom had hij de saxofoon toen niet begraven? Hij had het ding meegenomen omdat hij erop wilde leren spelen. Waarom? Daarover schreef hij niet in zijn brief. Of jawel, hij wilde erop leren spelen. Om met zijn tragische falen in het reine te komen? Maar in plaats van het zelf te leren, had hij haar het ding opgedrongen, toen ze amper zes was. Zij had het voor hem gedaan. Dus was de conclusie gerechtvaardigd dat hij misbruik van haar had gemaakt.

Na de vlucht uit Rusland voelde ze zich vrij, in het Westen lachte de toekomst haar toe. Totdat zijn brief kwam en hij over zijn dood heen beslag op haar legde. Na de brief was er een schaduw gevallen over haar vrijheid en kreeg de toekomst zijn gezicht.

De telefoon rinkelde. Ze schrok van het plotselinge geluid. Ze nam op en noemde haar naam, maar het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Ze hoorde een geroezemoes en toen het geluid van een pan die op een tegelvloer kletterde.

‘Met wie spreek ik?’ vroeg ze.

Daarop volgde een klik en toen de zoemtoon.

Op dat moment, met de hoorn in de hand luisterend naar het geluid dat aangaf dat de verbinding was verbroken, wist ze waarom alles steeds mislukte. Hij had zijn brief nooit mogen schrijven!

Als hij moediger was geweest, had hij het rotverhaal met zich meegenomen in het graf. Maar nee hoor, meneer was bang om dood te gaan en zocht zijn heil weer bij een ander. Hij kon de waarheid niet aan en moest hem aan iemand kwijt. Met de dood voor ogen nam hij weer de benen, net als toen met de tanks.

De klootzak. Wéér nam hij geen verantwoordelijkheid en schreef de schuld van zich af. Met de brief dook hij onder bij haar, net zoals toen bij Lena. Zogenaamd omdat hij meende dat zijn dochter recht had op de waarheid. Zogenaamd omdat hij van haar hield. Hield hij van haar? Wat voor liefde was dat?

Ze voelde zich misselijk worden. Haar jarenlange medelijden met hem was helemaal fout geweest. Het werkte verlammend, daarom lukte er niets. Hij droeg schuld, niet zij. Het was zijn waarheid, niet de hare. ‘Zo is het en niet anders,’ zei ze luidop.

Ze wist wat haar te doen stond. Met de fles Wodka in de ene hand en de brief in de andere, liep ze naar de keuken. Ze spreidde de vellen in de gootsteen uit en begoot ze flink, een brandende lucifer deed de rest. De vlammen laaiden op, zo hoog dat ze ervan schrok. De brief brandde kort, de knisperende resten spoelde ze met kraanwater weg.

Al met al was de rest van de middag omgevlogen en ze moest zich haasten om op tijd te zijn voor het optreden. Voor de badkamerspiegel bracht ze kleur aan op haar oogleden, maar de onervarenheid speelde haar parten. Het mislukte keer op keer, totdat er toch twee ogen waren met dezelfde zilverkleur als die van de saxofoon. Op de wangen maakte ze een blos zodat het leek alsof de zon haar gezicht bescheen. Ze keerde de wangen om en om en controleerde of haar gezicht niet door twee zonnen werd beschenen. Het resultaat mocht er wezen en haar lippen bevestigden dit met een glimlacht. Hoewel? Haar grijze ogen keken onzeker naar die lippen, want ze waren niet gestift. Nou, dat moest dan maar, want ze had de pest aan lippenstift op het mondstuk.

Terug in de woonkamer stroopte ze haar spijkerbroek aan, trok het zwarte T-shirt over het hoofd en schoot in het gouden colbertje. Ze streek met de hand door het haar, deed de lichten uit en pakte de saxofoon.

Altijd als ze de flat verliet, groette ze Lenin. Dan wierp ze een blik op de rode poster en trok op hetzelfde moment de deurknop naar zich toe en de deur viel in het slot. Het was een gewoonte waarvan ze zich amper bewust was. Maar vanavond deed ze na de vluchtige blik de deur niet dicht. Nee, ze bleef staan en keek naar de poster en was verrast door een lichtvlek op Lenins hoofd.

Het licht van de galerij scheen via de deuropening op Lenins achterhoofd. Geheel tegen de verwachting van de grote visionair in, kwam het licht niet van voren en scheen niet op zijn gezicht, maar bescheen zijn achterhoofd. Lenin keek de verkeerde kant op, het licht dreef de spot met hem.

Nu had ze, met een glimlach op het gezicht, de deur kunnen dichtdoen, maar dat deed ze niet. Ze bleef met de deurknop in de hand staan staren omdat de lippen haar ter verantwoording riepen. Ze roerden zich omdat ze vonden dat ze zich gehoorzaam tot een lach hadden geplooid. En ze oordeelden dat het bevoegd gezag ter plekke rekenschap diende te geven van hun inspanning. Ze wilden wel eens weten waarom die glimlach nodig was geweest. Hoezo keek Lenin de verkeerde kant op?

De lippen argumenteerden dat het toeval was geweest, zomaar een lichtvlek. Had het bevoegd gezag niet afgedaan met Lenin? Ja toch? Nou dan wist dat gezag toch ook wel dat geen enkele richting de juiste was en dat het geloof in één verlichte toekomst voor allen volstrekte onzin was? Dus was zo’n glimlach volkomen overbodig en verspilde moeite. En daarom was een kleine verontschuldiging aan hen, de lippen, die er tijdens het opmaken toch al bekaaid van afgekomen waren en die zich zonder tegenstribbelen hadden ingespannen en zich tot een glimlach hadden geplooid, gepast.

Inderdaad, jullie hebben gelijk, gaf ze ruiterlijk toe. Die aandrang tot een glimlach was geheel overbodig. Het was uit nostalgie, omdat het vandaag de twintigste september is en het toeval wilde dat hij op deze dag stierf en ik op diezelfde datum, elf jaar geleden, in Nederland aankwam. Ik heb vandaag zitten mijmeren. Daarom kon ik me niet concentreren en sta ik hier nu met de klink in de hand te staren naar een lichtinval die feitelijk niets grappigs heeft. Dankzij jullie oprechtheid, lieve lippen, heeft het gezond verstand gezegevierd.

Toen trok ze de deur dicht.

 

*

 

Bij café Margarita aangekomen, hoorde ze muziek. Joan en Irmgard hadden beloofd te zullen wachten totdat zij er was, maar ze waren toch begonnen zonder haar. Beduusd keek ze door het raam naar binnen en zag hen op het podium staan.

En ze zag nog iets, een lege plek, de plek waar zij had moeten staan. En nog iets zag ze. Iets dat werd weerspiegeld in het raam. Ze zag een geest met zilveren ogen en vuurrode wangen. Niet alleen was ze afwezig op het podium, ook hier voor het raam stond ze niet echt. Ze was een beschilderd spook. Per vergissing had iemand binnen een microfoon neergezet. En zo meteen, je kon erop wachten, zou de vergissing worden ingezien en de microfoon worden weggehaald. Ze bestond niet. Ze was niets. Niemand.

Als een dode pop stond ze voor het café, totdat er iemand tegen haar opbotste en de koffer uit haar hand viel. De man, een lang type met piercings in lippen en neus en met een rare hoed op, liep sorry zeggend verder. Ze keek hem na. Die neus! En die hoge hoed met de bespottelijke knik erin, vol gaten en zonder rand.

Na de botsing was het paniekgevoel verdwenen en keerde haar zelfvertrouwen terug. Vol goede moed pakte ze de koffer op en betrad de ruimte die blauw stond van de rook. De dansvloer was bevolkt met slome swingers met een bierglas in de ene en een sigaret in de andere hand. Ze nam zich voor het tempo straks flink op te voeren, zodat er echt zou worden gedanst.

Ze zocht Mischa, haar oude vriendin, maar zag haar niet. Na Mischa’s vertrek had de band aan kwaliteit ingeboet, de passie was verdwenen. Viktor zag ze wel zitten, hij zat zoals vanouds aan het ronde tafeltje. Ouwe trouwe Viktor. Blind. Herkenbaar aan de bril met de inktzwarte glazen. Twee generaties geleden had hij als jazz zanger furore gemaakt in New Yorkse nachtclubs. Sinds een jaar lag er op zijn stamtafel een plankje. Dat plankje kwam goed van pas dankzij het zwarte plaatje dat erop vastgeschroefd zat en waarop in strenge witte letters te lezen stond: Gereserveerd. Viktor had het uit een kerkbank laten zagen.

Er klonk applaus. Haastig liep ze naar het podium en hing de sax om.

‘Je kijkt ernstig, ben je boos?’ vroeg Irmgard.

‘Nee hoezo? Ik heb er juist zin in.’

Ze telde af en begon te spelen. De swingers dropen af en alleen de serieuze dansers bleven achter. Haar oog viel op een student die wel heel bijzonder danste. Ook het publiek had hem in de smiezen.

De jongen danste niet op de maat van de muziek maar hield er een eigen ritme op na dat met een vreemde regelmaat samenviel met het ritme dat zij speelden. Ze had zin om hem te volgen. Het lukte, ze kon hem vanuit de band een stem geven. Vlug wisselde ze een blik met Joan die op de bas het ritme aangaf en ze wees naar zichzelf en de jongen. Vanaf dat moment klonk er muziek die niemand nog ooit had gehoord.

De jongen keek lachend op, veegde een haarlok uit het gezicht en danste door. Ze volgde zijn capriolen en moest alle zeilen bijzetten, het was een wedstrijd tussen hem en haar. Ze improviseerde op het ritme van zijn bewegingen en lette tegelijkertijd op het spel van de band. Zij was de verbindende schakel. Trots keek ze naar Irmgard, maar die kon haar lachen amper inhouden.

In de pauze schoof ze bij Viktor aan. Joan nam het woord en zei plechtig: ‘Irina, er is iets dat ik je wil zeggen. Het is vandaag een bijzondere dag, want het is precies elf jaar geleden dat je hier kwam. Dat zijn we niet vergeten! Dus is er vandaag Russische champagne! Waar zouden we zijn zonder jou? Je ben een wonder!’

‘Sprankelend als champagne,’ zei Irmgard stralend.

‘Omdat we ons gelukkig mogen prijzen met jou,’ vulde Viktor aan.

Gedwee liet ze zich zoenen. De vriendinnen waren vrolijk en Viktors brillenglazen glommen. Maar in plaats van iets aardigs terug te zeggen, luchtte ze haar hart. ‘Jullie waren zonder mij begonnen.’

‘Schat, we moesten wel, het publiek werd ongeduldig,’ zei Joan.

‘Jullie zouden wachten,’ antwoordde ze.

‘Je wangen gaan nog, maar die ogen… net een uil,’ zei Irmgard.

‘Daar gaat het nu niet om,’ zei Joan sussend.

‘Ze kan toch wel eens één keer op tijd komen?’ zei Irmgard.

‘Luister,’ zei Viktor. ‘Ik heb vanavond weer eens virtuoze muziek gehoord. Wie zeurt er dan over wangen of ogen?’

De zwarte brillenglazen werkten als een bliksemafleider. Ze pakte haar glas en proostte.

‘Mischa is er niet,’ zei Joan.

‘Nou en? Die komt al jaren niet, sinds ze die vriend heeft,’ zei Irmgard.

‘Over Mischa gesproken. Ik heb nagedacht,’ zei ze. ‘Sinds ze ons verliet, is het bergafwaarts gegaan met de band. Wat we nodig hebben is vers bloed en een nieuw repertoire.’ Ze wilde uitleggen wat ze met een nieuw repertoire bedoelde, maar kreeg de kans niet omdat iemand haar op de schouder tikte.

‘Mag ik jou iets vragen?’ Het was de jongen die had gedanst. Van dichtbij zag hij er jonger uit.

‘Ik ben Jeroen van Geest.’

‘Irina Dantsjenko.’

‘Klinkt Russisch.’

‘Jij danst als een Rus.’

‘Ik hoor dat jij les geeft?’

‘Ja, als je je aanmeldt bij de muziekschool.’

‘Daar was ik al, maar ze zitten vol. Er is een wachttijd van meer dan een jaar. Ik speel al behoorlijk goed en wil graag privéles.’

‘Dan kan niet, je moet je beurt afwachten.’

‘Wachten? Ik kan wel horen dat jij uit Rusland komt.’

‘Sorry, maar voor privélessen heb ik geen tijd.’

Zijn opmerking over Rusland had haar gekwetst. Toen hij hoorde dat ze hem geen les wilde geven, keek hij zo hulpeloos dat ze het amper kon verdragen.

‘Ken je Maiden Voyage?’ vroeg ze zomaar. ‘Speel dat straks maar mee en dan hoor ik wel hoe goed je bent.’

‘Ja, speel dan op die van mij,’ zei Irmgard en hield hem haar saxofoon voor. Hij keek naar het mondstuk dat rood zag van de lippenstift en maakte een afwerend gebaar.

‘Hoeft niet, neem die van mij,’ zei ze spontaan. Ze dacht dat de muziek voor hem te hoog gegrepen was en dat hij voor de eer zou bedanken, maar tot haar schrik reageerde hij positief.

‘Herbie Hancock, daar kan ik wel wat van maken,’ zei hij zelfverzekerd.

Op zo’n antwoord was ze niet bedacht en ze keek Joan vragend aan. Die hield zich echter afzijdig en dus stond ze er alleen voor. Stel dat het joch er niks van bakte? Ze had hem het voorstel gedaan om van zijn intens hulpeloze blik af te zijn, maar nu hij ja had gezegd stond de reputatie van de band op het spel.

Intussen stond de jongen niet meer alleen. Een man was naast hem gaan staan. Hij was van middelbare leeftijd. Zijn rechteroog stond scheef en bekeek haar scherp.

‘De afspraak staat?’ informeerde hij.

‘Mijn vader,’ zei de jongen, nu minder zelfverzekerd.

‘Oké, we doen het,’ besliste ze. Maar als het niet gaat, dan stoppen we er meteen mee.’

De man fronste de wenkbrauwen. ‘Hoe wil jij iets van haar leren als je geen fouten mag maken?’ vroeg hij knorrig.

‘Nee pap, ze bedoelt het anders. Ik mag nu meespelen.’

Van opzij keek hij zijn zoon aan en mompelde iets. Toen stelde hij zich aan haar voor.

‘Waling Van Geest. En wat zou u dan graag willen eten?’

Haar antwoord was een verbaasde blik.

‘Heb je haar dat niet gevraagd? Nee dus, ik zie het al. Goed, mevrouw…?’

‘Dantsjenko,’ zei ze.

‘…mevrouw Dantsjenko, hierbij nodig ik u uit om na afloop van de lessen bij ons te blijven eten.’

Geamuseerd nam ze de man op. Zijn uitnodiging was ontwapenend en ze nam hem aan. Zo dadelijk zou wel blijken of de jongen kon spelen.

‘Ik houd van Plov, met flink veel knoflook. Maar ik kom alleen als het niet te ver weg is.’

Meteen beschreef hij de route. ‘Vanaf de stad neem je de weg naar Schiermonnikoog. Na dertig kilometer moet je afslaan, ons klooster staat tussen Kruisweg en Kleine Huisjes.’

‘Dertig kilometer? Maar dat is ver!’ zei ze verbaasd.

‘Kom, laten we gaan spelen,’ zei de jongen ongeduldig. Hij pakte haar saxofoon en beklom het podium. Joan en Irmgard volgden hem schoorvoetend.

Viktor roerde zich nu ook en vroeg: ‘Meneer van Geest, komt u toch bij mij zitten. Irina, is er nog champagne?’

Terwijl ze het laatste beetje inschonk, vervolgde Viktor: ‘Dus als ik het goed begrijp, dan bent u de Waling over wie ik vroeger heb gehoord dat hij de neus van het Christusbeeld vernielde, waarna de dorpsagent u te pakken kreeg en naar huis bracht?’

‘Die ben ik,’ zei de ander koel. ‘Dat was lang geleden. Ik denk dat u toen al in Amerika was.’

‘Een vriend heeft me die geschiedenis verteld,’ zei Viktor. ‘En weet je, Irina, wat mij nou zo fascineert aan dat verhaal? Dat is dat die dorpsagent, toen hij aan deze kwajongen vroeg waarom hij dat beeld had vernield, als antwoord kreeg dat er geen God bestond.’

Hier wachtte Viktor even, blijkbaar verwachtte hij van haar een reactie. Maar toen haar reactie uitbleef, sprak hij verder en zei: ‘Dat moet ongeveer tien jaar na de oorlog zijn geweest, ergens in de vijftiger jaren, middenin de geboortegolf die er toen was. Weinigen dachten nog aan de duizenden joodse kinderen die op een beestachtige manier waren vermoord. Maar dat joch, amper twaalf jaar oud, zei iets tegen die dorpsagent, iets wat Iwan Karamazow versteld zou hebben doen staan. Hij zei namelijk dat er geen god bestond. En dat zelfs de gedachte aan god onverdraaglijk was, want een god die zulke dingen liet gebeuren, had geen recht van bestaan. En nu, meneer van Geest, nu u zomaar naast mij zit, nu zou ik zo graag van u willen weten wat toen uw oom, de abt, daarop te zeggen had.’

De ander dacht even na en zei: ‘Hij vergeleek gebeurtenissen altijd met Bijbelverhalen. Mijn attaque op het beeld vergeleek hij met het verhaal van de jonge koning David die met één kiezelsteen de reus Goliath doodde. Hij was van mening dat de worp geen toevalligheid was, maar een voorteken dat ik tot grote daden in staat was.’

Viktor lachte schamper. Plotseling sloeg hij echter met de vuist op tafel en riep: ‘Maar voor mij is die dorpsagent de held! En wilt u weten waarom?’

Weer wachtte Viktor even en zei vervolgens: ‘Die man was het diep in zijn hart met de jongen eens. En toch deed hij zijn plicht!’

Waling keek naar het bordje dat op tafel lag en las het woord luidop voor.

‘Gereserveerd. U bent van protestantse huize?’

‘Dat doet er niet toe!’ zei Viktor kwaad.

‘Misschien kunnen we ons beter richten op het beeld van Vrouwe Justitia,’ antwoordde Waling kalm. Zoals u wellicht weet, draagt zij een blinddoek. En is het niet de liefde die blind maakt? Als u mij vraagt wie de ware held was, dan zeg ik: de neus.’

Het gesprek had een rare wending genomen en Viktor zweeg demonstratief. Ze was blij dat Jeroen begon te spelen.

Zijn spel verraste haar totaal. Joan en Irmgard moesten hun best doen om zijn tempo te kunnen volgen. Viktor zat onrustig en schoof heen en weer op zijn stoel. Zodra het nummer was afgelopen, stond hij op.

‘Wat doe je?’ vroeg ze.

‘Hoor jij niks? Dat joch heeft meer uitdaging nodig!’

‘Viktor, je gaat toch niet zingen?’

Ze herinnerde zich de laatste keer. Halverwege kreeg hij ademproblemen en moest met een ambulance naar het ziekenhuis.

‘Viktor!’ riep ze kwaad. Maar hij liet zich niet weerhouden.

‘Ik vind het podium zelf wel.’

Maar Joan en Irmgard weigerden met hem te spelen. Ze verlieten demonstratief het podium.

‘Ga maar. De jongen en ik kunnen het wel af zonder jullie.’

Vanaf het podium keek Jeroen haar aan. Ze maakte een gebaar dat hij het rustig aan moest doen.

‘Waar is de microfoon?’ gromde Viktor. ‘Here comes the sun van The Beatles, maar op z’n Simoons.’

Hij zong met de bekende rauwe stem die nog dieper was geworden sinds de laatste keer. Jeroen ondersteunde hem, maar halverwege begon hij passages te spelen die Viktor eigenlijk moest zingen. Vanaf dat moment wisselden oud en jong elkaar af. Jeroen toverde rauwe tonen tevoorschijn en Viktor greep naar de hoge noten en danste met huppelpasjes over het podium alsof hij een klein lammetje was. Zong hij zijn eigen partij weer, dan dwaalde er een wolf grommend over het podium en speelde Jeroen het lenige eekhoorntje dat hem de weg wees.

Gedanst werd er niet. Het publiek luisterde naar de grootvader en zijn kleinzoon. De oude man en de jongen imiteerden elkaar, ze lachten elkaar uit en scholden ook op elkaar. Ze joegen elkaar na en zochten elkaar weer op.

Ze hoorde achter zich iemand zeggen: ‘Dat is de jongen die ik wel eens bij het station heb zien staan. Hij kan beter hier komen spelen.’

Even later hapte Viktor naar adem en maakte een gebaar dat hij wilde stoppen. Waling zei: ‘Het is tijd voor ons om te gaan. Zullen we zeggen, zaterdagmiddag om vijf uur?’

Ze liep met hem naar de deur en Jeroen reikte haar de saxofoon aan. Met een vreemd gevoel nam ze afscheid van vader en zoon, het was alsof ze hen al eeuwen kende.

 

*

 

Het optreden was voorbij en Viktor had weer champagne besteld.

‘Dat joch speelt goed. Jij wilde toch vers bloed?’ zei hij.

‘Les heeft hij helemaal niet nodig,’ zei Joan.

‘Dat zullen we nog wel eens zien,’ antwoordde ze.

Toen de fles leeg was wilde Viktor naar huis gereden worden.

‘Waarom neem je geen taxi?’ vroeg Irmgard.

‘Mijn geld is opgegaan aan champagne,’ zei hij.

‘Niet waar. Je wilt zonder ons met Irina over de band praten,’ antwoordde Irmgard.

Viktor haalde de schouders op, maar toen hij naast haar in de auto zat en ze de contactsleutel omdraaide, stak hij van wal. Irmgards vermoeden bleek maar al te waar.

‘Irina, vanavond is me iets raars overkomen,’ begon hij. ‘Ik was buiten mezelf. Die jongen is heel bijzonder, hij geeft zich helemaal aan je over en toch blijft hij zichzelf. Hoe kan dat? Hij heeft een gave die hij niet mag verliezen.’

‘Hij wil les,’ zei ze.

‘Ja, maar wees wel op je hoede, Irina. Bedenk dat jij ook van hem iets kunt leren. Heb je gemerkt hoe gemakkelijk hij improviseert? Hij heeft vast vanavond jouw kracht gehoord en die wil hij van je leren. Hij zal op zoek gaan naar de bron ervan.’

‘We zullen zien,’ zei ze.

‘Als je zijn docent wordt, zul je hem moeten tonen wie je bent. Je hebt een sterk harnas Irina, maar je zult je dan moeten blootgeven. Denk na over hoe je dat aanpakt. Wees op je hoede, want een Van Geest is nooit te vertrouwen.’

‘Niet te vertrouwen? Hoezo?’ vroeg ze.

‘Luister. Anton van Geest was Walings oom. Hij is een paar jaar geleden overleden. Hij was de abt van dat klooster en er wordt gezegd dat hij een rokkenjager was. Er werd eens een baby bij het klooster te vondeling gelegd, dat geeft toch te denken nietwaar? Walings vader, Frank van Geest, was een fanatieke verzetsstrijder, hij schoot NSB-ers dood in de oorlog. De Duitsers kregen hem te pakken en hij is gefusilleerd. Walings moeder verdween na de oorlog spoorloos. Zodoende is Waling na de oorlog bij zijn oom in het klooster opgegroeid. En nu, na jaren, woont hij er weer. Het gebouw stond leeg. God mag weten wat hij er uitspookt, een normaal mens zou niet in die ouwe rotzooi willen wonen.’

Ze stoorde zich aan Viktors vooringenomen gepraat en was blij dat ze de straat in reed waar hij woonde. Hij had vanavond mooi gezongen, maar zijn gepraat over de familie Van Geest irriteerde haar. Ze hielp hem uitstappen.

‘Houd je me op de hoogte?’ vroeg Viktor.

‘Ja, tot ziens.’

Opgelucht trapte ze het gaspedaal in. Bij het kruispunt aangekomen, zag ze op het verkeersbord de naam Schiermonnikoog staan en ze herinnerde zich de routebeschrijving die Waling gegeven had. Nieuwsgierig geworden naar de ouwe rotzooi, zoals Viktor het klooster genoemd had, volgde ze de richting van het bord.

Buiten de stad was geen straatverlichting en het viel niet mee de vaart erin te houden, dus knipte ze het grote licht aan. Tegenliggers waren er niet. Na Kruisweg sloeg ze af bij een café waar nog licht brandde. Voorbij het café reed ze verder over een klinkerweg. Ze parkeerde bij een lange muur, stapte uit en liep naar een hoog smeedijzeren hek.

Bij het licht van de maan onderscheidde ze de contouren van het klooster. Achter het hek bevond zich een tuin, een park eigenlijk, met bomen en een oprijlaan. Het was een eenvoudig gebouw met twee verdiepingen. Aan de linkerkant bevond zich een kleine toren. Achter het torenraam brandde licht. Dit was het dus, ze wist het nu.

Langzaam rijdend over de hobbelige weg, passeerde ze het café weer, waar alles nu donker was. Ze knipte het grote licht weer aan en gaf gas. Turend over de landweg zag ze in gedachten Jeroen en Viktor weer op het podium staan en hoorde hen zingen en spelen. Ongelooflijk, hoe die twee elkaar hadden aangevoeld.

Er doken op de weg plotseling twee hazen op. Ze bleven in het licht van de koplampen voor de auto uit rennen. Ze remde en zette de wagen stil. De hazen bleven ook staan en gingen op hun achterpoten zitten met de oren in de lucht. Na een paar tellen legden ze de oren in de nek en renden verder, de ene liep het weiland in en verdween in het donker, de andere rende in volle vaart op de auto af.

De lichten, hij is verblind, dacht ze met schrik en vlug draaide ze de schakelaar om, maar op hetzelfde moment hoorde ze een doffe tik tegen de bumper. Ze draaide het raam omlaag en tuurde over de weg, in de hoop de haas te zullen zien rennen. Toen ze hem niet zag, stapte ze uit en zag hem voor de bumper liggen. Met haar voet duwde ze tegen het dier. Hij moet versuft zijn door de klap, dacht ze. Nog eens duwde ze en de haas rolde opzij. Hij keek haar aan met wijd opengesperde ogen.

‘Ben je dood?’ fluisterde ze. Ze legde haar hand op de rug van de haas, hij was warm, maar ze voelde hem niet ademen. Ze streek over de warme vacht en nam hem op, de kop hing slap naar beneden. Voorzichtig legde ze hem naast haar in de auto. Met de dode haas naast haar op de stoel reed ze verder. Ze dacht aan wat Viktor had gezegd. Dat ze zich moest blootgeven. Dat zou betekenen dat ze haar vader te sprake moest brengen. Wat? Dacht hij nou echt dat ze zijn brief met Jeroen zou bespreken? Geen sprake van!

Ze keek opzij, zag de haas liggen en kreeg een idee. Ze remde, keerde de wagen en reed terug naar het dorp. Bij het café nam ze niet de weg naar het klooster, maar ging recht­door, in de richting van de zee. Aan de voet van de dijk parkeerde ze en stapte uit. Het was vloed, het geruis van golven was te horen. Ze klom de dijk op.

Met gekromde vingers zocht ze houvast, greep zich vast aan de pollen en sleepte de saxofoonkoffer mee. Boven aangekomen bleef ze hijgend staan kijken naar het zwarte water en hoog daarboven de schuwe maan. De koffer was boven, maar nu moest de haas nog omhoog. Ze ging hem halen. Half klimmend, half glijdend ging ze terug en pakte hem. Hij voelde koud en stijf, was nauwelijks meer een dier, eerder een ding. Weer beklom ze de dijk en sleepte hem mee aan zijn oren. Hij woog meer dan de koffer en de klim viel haar zwaar. Halverwege gleed ze uit en liet hem los om zich met twee handen aan het gras te kunnen vastgrijpen. Over haar schouder zag ze hem naar beneden rollen, waar hij bleef liggen voor de bumper.

Ze probeerde het opnieuw, maar ook de tweede poging mislukte, weer gleed ze uit en omdat ze de haas niet wilde loslaten, rolden ze samen omlaag. Ze vloekte. Haar colbert zat onder de modder. Maar het plan zou lukken, ze zou de haas op de dijk begraven al moest ze tien keer klimmen. Hier aan zee ging ze het verleden begraven.

Ze sleepte hem aan de achterpoten mee. Halverwege hield ze stil, keek omhoog, schatte de resterende afstand en slingerde hem met een schreeuw naar boven. Ze hoorde hem neerploffen en klom er toen zelf achteraan.

Naast de haas groef ze een gat. De grond was hard, haar nagels scheurden. Toen het gat diep genoeg was, legde ze hem erin en begon hem met aarde te bedekken. Maar halverwege stopte ze en zocht de vacht weer die was bedekt. Er moest nog iets gezegd voordat ze hem begroef.

‘Jij rende naar het licht. Waarom bleef je niet bij de ander? Die is nu alleen en jij ligt hier.’ Na deze woorden begroef ze hem. Toen maakte ze de koffer open en begon te spelen. Boven zee weerlichtte het. De wind wakkerde aan, een donderslag klonk. Even later vielen er dikke regendruppels. Haar spel duurde niet lang. Haastig borg ze de saxofoon weer op en liet zich naar beneden glijden.

Na drieën zette ze de wagen voor de flat en stapte in de lift die zoals altijd naar pis stonk. De tocht naar het klooster was al haast een droom.

 

 

2.

Woelen, voelen, waar ligt het ding? Hij moet tussen de bladeren liggen. Bah, natte knieën. Ja, haha, logisch op het natte gras. Au! Is het ‘m? Nee, een kastanje. Is het oog soms in een bolster geglipt? Zonder oog kan hij zich absoluut niet aan haar vertonen. Of een oogkas met een kastanje erin? Ze blijft eten. Broccolitaart. IJs na.

Had ik niet geroepen, dan was hij niet op die tak gaan springen, was hij niet uitgegleden. Zat het oog er nog in. Kastanjes. Ze willen hebben, weer even dat gevoel. En dan? Morgenvroeg zal ik ze uitstrooien voor de poort. Nu niet. Op zaterdag is het werken geblazen, helpen ze mee op de boerderij. Maar morgen, na de kerk, komen ze zoeken. Als ik de bladeren nu eens in de lucht gooi? Ze dwarrelen omlaag en het glazen oog zal naar beneden vallen.

Eksters. Daar heb je ze weer, de gluiperds. Hier rond commanderen met hun grote bek en veel te lange staart. Nestrovers. Tekketekketek. Ik hoor jullie wel. Rondspoken ten koste van anderen. Het is mama’s gedagdag vandaag.

‘Geen sprake van!’

‘Waarom dan niet?’

‘Ik wil het niet hebben.’

‘Maar het is daar leuk, ik kan er van de dijk af rollen, pieren steken, vissen, krabben vangen, de duiven…’

‘Ik wil niet dat je in dat klooster bent bij die rare kerels.’

‘Pappa zegt…’

‘Die vaart op een boot aan de andere kant van de wereld.’

‘Ik wou dat je dood was!’

Dat zei ik, maar ik meende het natuurlijk niet. En nu? Je bent als de wind en praat in mijn gedachten. Heb je het naar je zin daar? Help je me zoeken? Nee natuurlijk. Hoe kan je me helpen, je bent dood. Weg. Niets. As. Of toch? Wat als ze stiekem helpen en me waarschuwen voor dingen? Onzin. Toeval.

Alles is toeval. Bij toeval vond ik in de bijbel toch die brief? Zelf gevonden, dat wel. Eerlijk is eerlijk. Verdomd, daar ligt ie zomaar voor mijn neus. Hebbes. Als een duivenei. Het kijkt me aan. Gewoon terugkijken. Open en dicht, een hand die knipoogt.

‘Waling! Ik heb hem!’

Jezus, wat een moddersporen. En wie ruimt alles op voordat Irina komt? Niet zeuren, ’t is mijn schuld. Dan had ik maar niet moeten roepen om meer, dan was hij niet gevallen en had hij zijn enkel niet verstuikt. Een modderspoor tot aan zijn deur.

‘Waling, kijk. Ik zei toch dat ik hem zou vinden?’

Kijk nou, hij heeft een zwart lapje voor z’n gezicht. Ik wist niet dat hij zo’n lapje had. Het linkeroog kijkt me aan, maar dat lapje voor zijn rechter verbergt iets. Gewoon een lege oogkas immers, verder niks. En toch…

‘Is er iets?’

‘Doe je het niet in?’

‘Nee, hij moet eerst ontsmet. Je zult met een zeerover aan tafel moeten.’

Een zee piraat. Dat is het, hij geeft het antwoord zelf. En toch… met dat rare lapje kan hij van alles zijn, een ridder met half vizier, een tovenaar met een scheefgezakte hoed…

‘Waar ga je heen?’

‘De gang schoonmaken, want je hebt er een rotzooi van gemaakt. En dan Porgy and Bess spelen, voordat ze er is. Oh your daddy’s rich, and your ma is good lookin. So hush, little baby, don’ yo’ cry.

Bezemsteel, bezemsteel. Ogen die zijn weggerot, maar ’t glazen is nog heel. Ajax, de witte tornado! Zzzeep, zzzeepbel, water en zzzeep. Ruikt net als toen in ‘t ziekenhuis. Stekeblind. Voor altijd, dacht ik, een blinde vader. Hij riep me toen. Ik zag het andere oog dat me aankeek. De geur vergeet ik nooit. Shit, daar is ze al! Bij de bult afgezaagde takken staat ze. Hopla, de kast in met jullie.

‘Hoi Irina’

‘Jeroen, wonen jullie hier? Maar dit is toch geen huis, dit lijkt het Kremlin wel! Is dat Waling die achter het raam staat? Wat heeft hij voor zijn gezicht?’

‘Een lapje. Zijn enkel is verstuikt, hij zal straks wel komen.’

‘Is het erg?’

‘Hij hinkt.’

‘Zijn oog bedoel ik.’

‘Oh, dat is van lang geleden. Morgen is het weer over, zegt ie. Laat mij je koffer dragen. Voor vandaag heb ik Porgy and Bess ingestudeerd. Porgy die op zijn geitenkar op reis gaat om Bess terug te vinden. Waarom kijk je naar de vloer terwijl ik tegen je praat?’

‘Jeroen, ik bewonder jullie prachtige tegelvloer!’

‘We moeten de trap op, de muziekkamer is boven. Die negers in een hut als het stormt, ze denken dat de wereld vergaat… Weet je, ik houd van Nina Simone. Here comes the sun, vind ik haar mooiste nummer. Het is moeilijk om dat te spelen, je moet het gevoel eerst vergeten. Daarna kan je het pas goed spelen. Heb jij dat ook?’

‘Je gaat me te snel, Jeroen.’

‘Hier is het. Kijk, dit is mijn sax.’

‘Jeroen, als je goed speelt, vergeet je jezelf. Je verandert in je instrument en die kan maar één ding en dat is een volmaakt geluid fabriceren. Je doet dus niks anders dan dat wat het instrument van je vraagt. Je brengt juist je instrument tot leven.’

‘Maar dan ben ik zoiets als een robot?’

‘Natuurlijk niet. Je luistert en je bent één met de muziek. Concentreer je nou gewoon op je instrument en al het andere komt vanzelf.’

‘Maar ik wil dat iemand die luistert, het net zo mooi vindt als ik.’

‘Dat kan niet, jij bent niet die ander.’

‘Dat is het juist! Dat is wat muziek doet. Met praten gaat het niet, praten kan iedereen. Woorden zijn als geraamtes, lege geluidjes voor een ding of een bedoeling. Ik kan bloem zeggen, maar als ik echt wil laten horen wat ik met die bloem bedoel, dan klinkt het zo…’

Zie je wel, ze lacht nu ik speel, ze denkt er net zo over.

‘Jeroen, je praat als een hippie. Zonder woorden wist ik niet dat je een bloem speelde. En zonder woorden hadden we vorige week ook niet deze afspraak kunnen maken. Muziek roept allerlei emoties op en dankzij taal ontstaat er orde in de chaos. Zorg nou maar dat je één bent met je saxofoon.’

‘Maar dan heeft muziek geen zin.’

‘De zin is dat jij zin hebt. Je kunt iemand anders niet iets laten voelen zoals jij het voelt. Genoeg gepraat, we spelen Porgy and Bess.’

Yeah! Got my gal, got my song, got heaven the whole day long!

 

3.

Hij stond op één been voor het studeerkamerraam en keek naar Jeroen die onder een boom heen en weer kroop en op zoek was naar zijn glazen oog. Met afgrijzen dacht hij terug aan de val uit de boom. Takken, bladeren, lichtvlekken, schaduwen, het stampen van zijn voet op de tak, bladergeruis, Jeroen onder hem, roepend om meer kastanjes. De puntige bolsters tegen zijn hoofd, een zaag in zijn verkrampte hand. Hij verzette een voet, greep naar een tak en greep mis.

Jeroen had in zijn lege oogkas gekeken en hem ondersteund toen hij naar binnen strompelde. Niet bepaald een houding voor een vader. Toch had het erger gekund, de zaag was naast zijn hoofd op de grond gevallen en niet erop. Hij had vandaag ook zijn andere oog kunnen verliezen.

Buiten had Jeroen het zoeken gestaakt, zo leek het. Want zijn zoon was overeind gekomen en kroop niet meer op handen en voeten onder de boom. Opgelucht haalde hij adem en was in de veronderstelling dat Jeroen het oog gevonden had. Maar toen hij zag dat er een hoop bladeren bijeen werd geroeid en in de lucht werd geworpen, verloor hij zijn vertrouwen.

Hij liet zich voorzichtig in de fauteuil zakken en trok de laars uit, stroopte de klamme sok van de voet en legde de gekwetste voet op de bureaustoel. De bult op de enkel was een binnenstebuiten gekeerd oog en het keek hem aan. Wat? Ja, dat gedrochtelijke oog staarde naar hem. Vermoeid wendde hij de blik af en zocht in de bureaula naar het ooglapje.

‘Waling, ik heb hem!’

Jeroen zwaaide naar hem. Dus toch gevonden. Vlug deed hij het lapje voor, een tweede blik in zijn lege oogkas wilde hij zijn zoon besparen. Net op tijd, want hij hoorde Jeroens voetstappen in de gang.

‘Ik zei toch dat ik hem zou vinden?’

‘Dank je.’

‘Waarom doe je hem niet in?’

‘Hij moet ontsmet. Dat duurt wel even. Je zult met een zeerover aan tafel moeten. Waar ga je heen?’

‘De gang schoonmaken. Je hebt een rotzooi gemaakt met je modderlaarzen.’

Even later piepte het scharnier van de bezemkast en klonk het gerammel van de zinken emmer. Hij zat aan zijn bureau en had vanaf hier een goed uitzicht. Vanaf hier kon hij straks Irina zien aankomen.

Terwijl hij op haar komst wachtte, keek hij naar de ekster die in de tuin over het grasveld liep. De zon stond laag en scheen door het raam op zijn bureau en op de munten. De complete verzameling van oom lag voor hem uitgestald. Hij nam een exemplaar in zijn hand en bekeek hem door het vergrootglas. Precies zo moest oom Anton hier vroeger hebben gezeten, in deze kamer, aan dit bureau. Hij legde de munt en het vergrootglas weer neer. In de verte reed een tractor en in de tuin scharrelde de ekster in de gloed van de zon. Straks zou hij Irina het klooster laten zien.

Vrouwelijk bezoek, lang geleden alweer. Ooit, die eerste keer met Ada. Het was voorjaar toen en hij had haar de refter laten zien, de kapel met de beelden, de gebrand­schil­derde ramen. Zijn kamer, de kamers van de paters en de vele lege kamers. In de boomgaard hadden ze onder bloeiende appelbomen gegeten.

Maar jaren later, het was oudejaarsavond, had ze hem een tijdschrift in de hand geduwd met een artikel van een psycholoog die verstand had van relaties. Volgens haar waren ze uit elkaar gegroeid. Boos was hij het huis uitgelo­pen en had urenlang in de vrieskou lopen piekeren. Even na twaalven trof een vuurpijl zijn rechteroog. Toen hij een week later het ziekenhuis verliet, wist ze het zeker, ze wilde scheiden. Zij had minder geluk gehad. Niet een vuurpijl, maar een stilstaande boom had haar getroffen.

Buiten liet de ekster een alarmerend geschetter horen. Een rode Volkswagen reed de oprijlaan op en stopte met slippende banden voor de takkenbult. Hij ging staan zodat hij haar beter kon zien, maar vergat de voet. De pijnscheut bezorgde hem koude rillingen.

Hij zag dat ze een spijkerbroek aan had en een wijnrode trui die tot over haar heupen viel. Roerloos bleef ze naast de auto staan en keek naar de gevel. Ze zag hem en zwaaide. Hij stak een hand omhoog en zwaaide terug. De ekster scheerde schaterend door de lucht en verdween over de kloostermuur.

Een paar minuten later klonk boven hem een circusorkest dat met geen twintig eksters was te vergelij­ken. De saxofoons brachten een dierentuin van geluiden voort, ze jankten als zeehon­den, krijsten als apen, brulden als Siberische tijgers. Irina riep iets. Gelach. Pianoak­koorden, de saxofoon viel in, dat moest Jeroen zijn. Stilte. Voetstappen op de trap. Het harmonium in de kapel en de saxofoon. Mooi met die akoes­tiek.

Voor hem op het bureau blonken de Keltische munten. Het was een raadsel waar ze vandaan kwamen. Ze waren authentiek, uit de tijd voor Christus. Kostbare munten, een museum zou er grif een vermogen voor neertel­len. Het kon niet anders of het roestige kistje waarin hij ze had gevonden, was door de eeuwen heen van klooster naar klooster meeverhuisd naar hier. Anton moest ze hebben gevonden. Oom had elke munt met een niet te evenaren nauwkeurig­heid beschreven en gecatalogi­seerd op ouderdom en de betekenis van de afbeelding.

Hij pakte een van de munten op en bekeek hem door het vergroot­glas. Er stond een paard met een ruiter op afgebeeld. De ruiter hield een lans in de hand. Het paard had een gebogen rug en tussen de voorbenen kronkelde een slang. De afbeelding op de munt was gedetailleerd nagete­kend in het schrift. Naast de tekening had oom een afbeelding geplakt van Sint Michaël. De heilige zat, zoals gebruikelijk, te paard en hield een lans vast waarmee hij de kop van een slang doorboorde. De overeenkomst met de afbeelding op de munt was treffend, maar er waren ook verschillen. De Keltische ruiter zat niet op de rug van het paard, maar zweefde erbóven. En de ruiter keek niet omlaag maar keek in de verte en hij doodde de slang niet, zoals Sint Michaël. In het schrift stond: Keltisch slangen­paard: wat ziet de ruiter? Michaël doodt de slang, maar als slang en paard zijn één, dan komt de slangendoder – zelf gedragen door de slang – ten val.

`Irina wil een rondleiding voordat we gaan eten.’

Geschrokken keek hij op en zag Jeroen in de deuropening staan.

`Kan je niet kloppen, ik schrik me dood.’

`Kom je? Ze is in de kapel. Jij kunt zo mooi over alles vertellen.’

Hij probeerde te staan, maar de enkel protesteerde.

‘Ik help je,’ zei Jeroen.

‘Geen sprake van. Aan de kapstok hangt een wandelstok. Als je die voor me haalt, red ik het zelf wel.’

`Dan ben je een piraat met dat zwarte lapje en een houten poot.’

`Schiet nou maar op. En zet de taart in de oven.’

`Heb ik al gedaan,’ galmde het in de gang.

In de refter zag hij Irina bij het doopvont staan. Hij liep naar haar toe en gaf haar een hand. Ze zag er anders uit, geen zilveren oogleden of rode wangen. Ze keek hem nieuwsgierig, bijna achterdochtig aan. Haar blik beviel hem. Een vrouwengezicht, vrouwenogen, vrouwenhand. Haar hand in de zijne. Hier, voor het altaar, waar eeuwenlang huwelijken waren gesloten. Haar hand in de zijne, hun handen. Raadselachtig.

‘Dag Waling. Leuk, die goudvissen,’ zei ze met een hoofdknikje naar het doopvont.

‘Die met dat zwarte vlekje op de kop ben ik en de andere is Jeroen. Mijn oom heeft ons beiden hierin gedoopt, mij in 1944 en Jeroen in 1967. Hij was mijn peetoom en de op één na laatste monnik van dit klooster. De goudvissen zijn een klein eerbetoon.’

`Aha, en hoe komt het dat jullie hier nu wonen?’

`Een erfenis. Mijn oom heeft het me nagelaten.’

`Een erfenis? Kloosters kun je toch niet erven, die zijn toch van de kerk?’

`Je hebt gelijk. En toch is uit zijn nalatenschap gebleken dat hij in de jaren vijftig het klooster inclusief de inboedel en de bijbehorende landerijen heeft gekocht. Ik vermoed dat de kerk blij was dat ze van een financieel noodlij­dend project was verlost. De monnik die me misschien meer had kunnen vertellen, stierf op de dag dat mijn oom werd begraven.’

`Maar hoe komt een monnik aan zoveel geld?’

`Dat is een vraag die mij al bezig houdt vanaf het moment dat we hier zijn komen wonen. Het is me nog steeds een raadsel.’

‘Ik mis de iconen.’

‘Klopt, die hangen hier niet. In de Russisch-orthodoxe kerken hangen iconen, maar in Rooms-katholieke niet. Heiligenbeelden hebben we wel, zoals je ziet.’

‘En zij dan?’ Ze wees naar de gebrandschilderde ramen.

‘Dat zijn enkele personages uit de Bijbel, geen heiligen zoals op de iconen. Het bovenste raam laat Adam en Eva zien met de slang in het paradijs. Ernaast zie je de zondvloed met de ark van Noach. Daaronder offert Abraham zijn zoon Izak. Op het andere raam zie je Mozes bij de brandende braamstruik, koning Salomo die recht spreekt, en een walvis met een mannetje in zijn buik…’

‘Yeah! Oh, Jonah, he lived in the whale, but it aint necessarily so!’ zong Jeroen.

Irina keek lachend naar de kleurige ramen en liep toen naar het beeld van de monnik met een kleine jongen op de arm.

`En dit zijn jullie?’

`Dit is Sint Antonius, altijd handig om in huis te hebben. Als je iets kwijt bent en je bidt tot hem, dan vind je het terug. Vanmiddag bijvoorbeeld, toen ik mijn oog kwijt was, heb ik tot hem gebeden. En ja hoor, binnen vijf minuten had Jeroen het oog teruggevonden.’

`But it aint necessarily so. Jij gelooft daar helemaal niet in,’ wierp Jeroen tegen.

`Een katholiek houdt niets voor onmogelijk,’ antwoordde hij.

`Je moet hem niet geloven, Irina. Hij neemt je in de maling, hij gelooft nergens in,’ hield Jeroen vol.

`Een katholiek gelooft altijd in iets.’

‘Geloof, hoop en liefde toch? Dat zei mijn moeder vroeger,’ zei Irina.

Hij wees naar het Mariabeeld en zei: `Ik geloof in tegenstellingen. Geen licht zonder duister, geen god zonder duivel, geen man zonder vrouw. De mens beweegt zich tussen twee afgronden. Een afgrond boven, vol verhe­ven idealen en een afgrond onder, vol verraad…’

‘Dat is Dostojewski,’ onderbrak ze hem.

‘Ik blijf de aarde trouw, dat is het. Wat overdag licht is, is ’s nachts donker. Dan eens boven, dan weer onder. Trouw zijn aan de aarde en een wankel evenwicht bewaren, daar draait het om in het leven.’

‘En in jezèlf geloven,’ vulde Jeroen ongevraagd aan.

‘Nee Jeroen, asjeblieft! De wereld is vergeven van de in zichzelf gelovenden. Kijk wat ze doen: zeeën worden leeggevist, de lucht verpest, oerwouden gekapt en de grond vergiftigd. De zichzelven rijden in dure auto’s rond, schrijven boeken vol over zichzelf en laten op tv zien hoezeer ze zichzelf zijn. Bah!’

‘Jij kijkt ook wel eens naar Zeg ‘ns Aaa,’ wierp Jeroen tegen.

‘Wel eens, wel eens,’ zei hij luid, zodat het galmde in de kapel. ‘Er is geen god, dus moet ik wel in mensen geloven, maar hoe kan ik in ze geloven als ik om me heen alleen zichzelven zie die doen alsof ze mensen zijn? Het is om gek van te worden!’ Hij zwaaide met de stok, maar kalmeerde toen hij Irina’s geschrokken gezicht zag.

‘Jeroen, om je een idee te geven wat ik geloof, zet ik hier een globe neer en ik hang een poster op met een foto van de aarde vanuit de ruimte gezien. We moeten ons geduld bewaren en ons evenwicht, dat is belangrijk. Maar wie in zichzelf gelooft, begrijpt er niets van en kijkt niet verder dan zijn neus lang is, want zijn neus is hem dierbaarder dan wat ook. En laten we nu naar de refter gaan, want als ik mij niet heb vergist, hoorde ik zojuist het belletje van de oven.’ Met de wandelstok tikkend op de stenen vloer, ging hij de anderen voor.

‘When Gawd make cripple, He mean him to be lonely, night time is man’s time, he got a right to forget his troubles,’ zong Jeroen. En hij fluisterde tegen Irina: ‘Die poster ken ik. We weten toch hoe het de spaceshuttle is vergaan? En vanmiddag is hij zelf uit de boom gevallen, daarom hinkt hij zo. Dus op zijn gevoel voor evenwicht kun je maar beter niet vertrouwen. You ‘d better walk like an Egyptian.’

 

*

 

Het was kil in de refter. Jeroen zat voor de haard met een handvol aanmaakhout. Irina stond voor het raam en keek naar de bewegende silhouetten op de boomtakken. Buiten zochten de kippen hun slaapplaats in de treurbeuk. Zelf stak hij de kaarsen aan en het licht verspreidde zich, de refter kreeg vorm en de schilderijen aan de muur kwamen tot leven. Gerimpelde mannengezichten keken de eetzaal in, de katheder lichtte op evenals het harnas dat bij het flakke­ren­de licht glom en leek te bewegen.

‘Elektriciteit noch stromend water,’ zei hij. ‘Wel een gastank voor de kachel en de keuken, maar verder moeten we ons behelpen met petroleum, pomp en poepdoos.’

‘Onzin!’ riep Jeroen.

Hij beduidde zijn zoon dat deze zijn mond moest houden. Het aggregaat waarmee hij in de kelder stroom opwekte, was nu geen gepast gespreksonderwerp.

‘Maar ik zag in de muziekkamer een cassettedeck en een platenspeler staan en er hing ook een lamp en je zei zo even dat je wel eens televisie kijkt.’

‘Accu’s,’ zei hij vlug. ‘We behelpen ons met accu’s, net als in een caravan.’

Hij wees naar de schilderijen en zei:`Dit zijn alle abten van het klooster. Daar, die achterste, is mijn oom. Op deze katheder stond hij vaak en las onder het eten voor uit de Heilige Schrift. Tijdens de maaltijd werd niet gesproken. Oom was een man van de oude stempel en is dat altijd gebleven, hij wilde dit gebouw in de oorspronkelijke staat bewaren, zonder de luxe van waterleiding en elektriciteit. De Gemeente vond het onverantwoord en wilde de boel onbewoonbaar verklaren, maar oom hield vol en won.’

Hij wees naar het harnas. `Dit blikken ding is een idee van Jeroen. Het is een Tempelier uit de tijd van de kruistochten, zullen we maar zeggen. We eten trouwens niet aan de grote tafel, want dat is minder gezellig. Jeroen en ik eten altijd aan de kleine tafel bij de haard.’

`Wat zijn dat voor vogels in de boom?’ vroeg Irina.

`Dat zijn onze kippen. We hebben ze dit voorjaar uitgebroed en binnenkort moeten we een hok voor ze maken, want de boom gaat om. Bomen die de takken laten hangen, vind ik triest. Hebben we meteen brandhout voor de winter. Lukt het, Jeroen?’

Jeroen mompelde iets. Hij zat op de knieën voor de haard en neuriede een melodie terwijl hij af en toe voorzichtig een vlam aanblies die tussen het hout kronkelde.

`Irina, zie je die kast? Daarin zitten borden, glazen en bestek. Als je het niet erg vindt ga ik zitten, want het gehink met de stok is vermoeiend. Ik ga van de handicap profiteren en laat jullie het werk doen.’

`Vuur maken is als het voeren van een draakje, je moet het voorzichtig doen, niet teveel in één keer want dan stikt het,’ zei Jeroen.

Irina liep naar de kast en trok de deur open. Ze nam borden van de stapel, draaide zich om en liep ermee naar de tafel. Terwijl ze naar hem toeliep, lachte naar hem en hij zag dat ze kuiltjes in de wangen had. Als hij haar rode trui wegdacht, zag hij een vruchtbaarheidsgodin. Ze was een moeder, geen Venus van Milo. Ze zag dat hij haar opnam en zei: ‘Ja, een heel ander gezicht dan vorige week. Vraag je je soms af of ik het wel ben?’

‘Als ik je in gedachten een bontmuts opzet, zie ik een Russische prinses. Maar je zou ook weggelopen kunnen zijn uit een bijbels tafereel van Rubens, of uit een dorpsfeest van Breughel. Voor mij ben jij een Eva van de Betuwe.’

`Ik ga de taart halen,’ zei Jeroen.

‘Ik heb wijn meegebracht, de fles ligt nog in de auto. Breng je die ook mee?’

‘Oh Lawd, I’m on my way,’ riep Jeroen terwijl hij de kamer verliet.

`Wat is de Betuwe?’ vroeg ze.

`Een streek in Nederland waar heel veel appelbomen staan.’

`Dat lijkt me een verleidelijke plek voor een Eva.’

‘Heel verleidelijk,’ beaamde hij. Hij kuchte, reikte vanuit zijn stoel naar het houtblok dat Jeroen had klaarge­legd en zette het tussen de vlammen. Irina liep weer naar de kast en kwam terug met het bestek, drie wijnglazen en de kurkentrekker.

De deur zwaaide open en Jeroen kwam binnen met een theedoek als tulband om het hoofd gewikkeld. Op de tulband droeg hij de broccolitaart. Met de wijnfles in de hand en de ­taart op het hoofd, marcheerde hij richting tafel.

‘Jeroen, als die taart van je kop valt, is mijn werk voor niets geweest!’

‘Ik ben de schenker én de bakker!’ jubelde Jeroen en kwam veilig bij de tafel aan.

Nadat hij de fles had ontkurkt, zei hij: ‘Ik wil een toost uitbrengen op jullie saxofoons. Ik hoop dat Jeroen veel van jou zal leren, Irina.’

‘Op geloof, hoop en liefde,’ zei ze.

‘Keep on flyin’ over, take along yo’ shadow,’ zei Jeroen.

‘Wat is dat voor een toost?’ vroeg ze.

‘Ik proost op mijn duiven.’

‘Wij zijn trots op onze postduiven,’ zei hij terwijl hij een stuk taart op haar bord legde.

‘Sorry, maar ik heb niks met zulke beesten. In de stad vliegen ze altijd hinderlijk voor je fiets, of ze lopen voor je voeten als je haast hebt.’

‘Het zijn bijzondere duiven,’ probeerde hij opnieuw. Maar Irina maakte een afwerend gebaar en zei: ‘Vertel eens over je mysterieuze oom.’

`Wat wil je weten?’

Ze keek hem aan alsof ze zeggen wilde: alles. Ondertussen hakte Jeroen beledigd in zijn stuk taart.

‘Ik wist niet dat hij het klooster had gekocht, niemand wist het. De kerk, die het klooster verkocht, zweeg ook. Hoe hij aan het geld kwam, is een mysterie. Maar er is nog iets. Ik vond oude Keltische munten in zijn kamer.’

‘Het onderhouden van een gebouw als dit zal wel duur zijn. Wat doe je voor werk?’

‘Werk? Daar val ik niemand mee lastig. Bij het klooster hoort een stuk grond dat ik verpacht aan boeren. Veel brengt het niet op, maar we kunnen er van rondkomen, nietwaar Jeroen?

‘Hm.’

‘Dus je bent een landjonker, zo eentje uit een Russische roman,’ zei ze lachend.

Ongerust keek hij naar Jeroen die de taart naar binnen had geschrokt en het glas in één teug had leeggedronken. Zijn zoon staarde naar het lege bord en zweeg demonstratief. Misschien kon hij het gesprek nog op de duiven brengen als hij Irina het verhaal van Antons Wehrmachtduiven vertelde.

‘Het bijzondere van Jeroens duiven is dat ze zijn uitgebroed door afstammelingen van Duitse duiven uit de Tweede Wereldoorlog. Mijn oom heeft ze na de oorlog…’

‘Hoe was het om hier op te groeien, waren ze streng voor je?’ onderbrak ze hem.

‘Er waren uiteraard regels waar we ons aan moesten houden, maar over het algemeen…’

Op dat moment stond Jeroen van tafel op en zei: ‘Irina, ik wil je bedanken voor de les. Van verdere lessen zie ik af. Ik denk dat er geen klik is tussen ons. Pap, ik ga naar mijn kamer.’

‘Wat is er met jou?’ vroeg Irina. Ze pakte hem bij de arm en wilde verhinderen dat hij ging, maar Jeroen trok zijn arm heftig terug en stootte daarbij haar wijnglas om.

‘Jeroen, wat doe je raar!’ riep ze.

‘Ik doe raar? Als het dure renpaarden waren geweest in plaats van simpele duiven, dan had je vast wel geluisterd. Maar duiven zijn je te min. Voor wie kom je eigenlijk? Voor een dooie oom of voor mij?’ Hij draaide zich om en verliet de kamer.

‘Zelf had ik ook niks met duiven,’ zei hij na een korte stilte, ‘maar hij is dol op ze. Vroeger al, toen hij nog klein was, zaten oom en hij uren in het hok tussen het gefladder en het gekoer. Het waren Wehrmachtduiven. In de oorlog zaten hier soldaten ingekwartierd en ze gebruikten de duiven om boodschappen te versturen. Na de oorlog gingen de soldaten weg, maar de duiven bleven achter. Het eerste wat Jeroen deed toen we hier kwamen kijken, was zien of ze er nog waren.’

‘Ik heb niet eens gevraagd wat hij doet, of hij nog op school zit, of studeert,’ zei Irina. ‘Ik weet niets van hem en ik zit maar te vragen naar je oom en het klooster.’

Ze stond op.

‘Wat ga je doen?’

‘Naar hem toe en het goedmaken.’

‘Wacht liever. Hij is nu boos. De furie, zo noemde oom onze familiekwaal. Geen kwade eigenschap, maar je moet hem leren beheersen. Nu je toch staat, achter het linker deurtje staat nog een fles. Je hebt een nieuw glas nodig, je weet ze nu wel te staan.’

Terwijl Irina op haar hurken zat en de scherven opraapte, vroeg hij: ‘Waarom speelt iemand saxofoon?’

‘Ik was er voor in de wieg gelegd. Een leven zonder saxofoon kan ik me niet voorstellen. Zonder hem zou ik niet zijn wie ik nu ben. Om hem ben ik gevlucht, hij is mijn alles.’

‘Wanneer was dat?’ vroeg hij.

‘In 1975. Ik was twintig en verliefd op een Nederlandse muzikant. Dagenlang zat ik verstopt in zijn auto. Harm heette hij. Bij vier grensovergan­gen was er controle. Ik heb geluk gehad dat ze me niet vonden. Daarna zijn we één keer naar het North Sea Jazz geweest…’

‘Jullie wonen samen?’ vroeg hij.

‘Nee, na een jaar was het uit tussen ons.’ Ze zweeg en keek naar de donkere hoek van de refter waar zich iets bewoog.

`Dat is Jozef, onze schildpad,’ zei Waling. Hij heeft honger. In de keuken ligt een krop andijvie, Jeroen is het vergeten te geven. Op het aanrecht.’

Ze stond op en ging naar de keuken. Ondertussen dacht hij na over wat ze had verteld. Harm, dat was een Groningse naam. Op haar twintigste gevlucht. Dan was ze uit 1955, elf jaar jonger dan hij. Geboren in de Chroesjtsjov-periode en de destalinisatie.

Ze kwam de refter weer binnen en legde de krop andijvie op de grond, ging ernaast zitten en keek naar Jozef die naar haar toe kwam geschuifeld.

Leunend op de stok kwam hij bij haar zitten, het gekwetste been gestrekt voor zich uit. Zwijgend keken ze naar de schildpad die langzaam naderde.

‘In de kapel sprak je over geduld en evenwicht. Wat bedoel je daar eigenlijk mee?’ vroeg ze.

‘Het vaderschap,’ antwoordde hij. ‘Toen Jeroen zes was, ben ik gescheiden. Hij heeft elf jaar bij zijn moeder gewoond en sinds twee jaar woont hij hier bij mij. Jarenlang voer ik op zee. Het is niet eenvoudig om een vader te zijn. Het klooster helpt, hier zijn Jeroen en ik op een prettige manier tot elkaar veroor­deeld. Zonder hem was ik hier nooit gaan wonen en nu kan ik me niet voorstellen dat ik ooit ergens anders zou willen zijn. Het bevalt me hier. Neem nou onze kippen. Dit voorjaar hebben we ze in een broedmachine uitgebroed. Midden in de nacht begonnen de eieren te bewegen. We hebben zitten kijken hoe de kuikens eruit kropen. Een ideale vader ben ik niet, ik had moeten zorgen dat hij zijn school had afgemaakt. Maar hij wil maar één ding, die verrekte saxofoon.’

‘Hij heeft de school niet afgemaakt?’

Jozef had de andijvie bereikt. De kop van de schildpad bewoog traag naar het groen, de kaken gingen langzaam open en sloten zich weer met een andijvieblad ertussen.

‘Waling, heeft hij zijn school niet afgemaakt?’ vroeg Irina weer.

‘Hij is zes maanden naar het gymnasium in de stad gegaan, maar volgens de rector was hij niet te handhaven. Die vent wilde dat ik met hem naar een psycholoog ging. Dat heb ik geweigerd. Jeroen is niet gek. Misschien had hij last van het overlijden van zijn moeder, ze kwam om bij een auto ongeluk.

‘Heeft hij vrienden?’ vroeg ze.

‘Gerard, een jongen uit het dorp. Soms brengt hij ook wel eens iemand mee uit de stad. Hij speelt elke woensdag bij het station en spreekt jan en alleman aan. Vorig jaar ontmoette hij er een Spaanse toerist. Die heeft hier een week gelogeerd en Jeroen gaat er binnenkort op bezoek.’

Er viel een stilte. Hij rook haar parfum en voelde de warmte van de haard. Zij keek naar Jozef. De schildpad opende en sloot werktuiglijk de kaken, hapte halve manen uit het andijvieblad, het groen leek te smelten op zijn roze tong.

‘Hoe was het om in Rusland te wonen?’ vroeg hij.

‘Communisme en jazz, dat gaat niet samen,’ zei ze.

‘Hoe komt een communist dan aan een saxofoon?’ vroeg hij.

‘Een erfenis. Mijn vader was soldaat in de oorlog en kwam ermee thuis. Anderen brachten geld of sieraden mee, maar hij een saxofoon. Hij kon zelf niet spelen en duwde mijn broers het ding in handen, maar die hadden geen zin. Toen werd ik nog geboren en op mijn zesde speelde ik de Internatio­nale.’

‘Je hebt broers?’

‘Halfbroers. Beide gesneuveld in Afghanistan.’

In de hal sloeg de klok tien uur.

‘Al zo laat?’ zei ze geschrokken. ‘Tijd om naar huis te gaan en Jeroen gedag te zeggen.’

‘Ik zal je zijn kamer wijzen. Maar je moet echt even mijn munten zien, ze zijn bijzonder.’ Hij ging haar voor, duwde met de stok de deur van de studeerkamer open en stak de petroleumlamp boven het bureau aan.

`Waarom zijn ze bijzonder?’ vroeg ze.

`Aanvanke­lijk kopieerden de Kelten Grieks geld, maar later maakten ze eigen munten. Elke munt laat een metamorfose zien. Voor mij zijn het een soort grammofoonplaatjes. Als ik ze afspeel, ben ik in hun oude ideeënwe­reld. Kunstzin­nig vermomd geven de afbeeldingen de idee weer van de eeuwige wederkeer. Het interessante is dat geen enkele afbeelding op zichzelf staat maar ontstaat vanuit een vorige.’ Hij nam een munt op en liet hem haar zien.

‘Kijk, op het eerste gezicht zie je een wirwar van lijnen, maar let eens op deze lijn, je ziet het profiel van de Griekse god Zeus die door de Kelten wordt weergegeven met een adelaarsneus en een ei tussen de lippen, het symbool van het woord. Nu draai ik de munt een kwartslag en volg nu eens deze lijn, je ziet dan een andere afbeelding, niet meer het gezicht van Zeus, maar dat van de baardige man met het alziend oog. Kijk, in het schrift kun je het beter zien, hier heeft mijn oom alles in gedocumenteerd. Nu draai ik hem weer een kwartslag en je ziet een schedel met een diadeem en een zwevend ei erboven. En nu draai ik hem nog een laatste keer en er verschijnt een paard met de fantoomrijder die het vexillum, het kruisvormige opstandingssymbool naar voren werpt. De Kelten kenden het kruissymbool al, maar het had bij hen een andere betekenis. Het was hun symbool voor het doel dat iemand voor zich uitwerpt en nastreeft.’

‘Het lijkt een soort stripverhaal,’ zei ze.

‘Het is een complete levensfilosofie. Het ei tussen de lippen betekent geboorte: de taal was voor Kelten magisch, woorden konden toverspreuken zijn waarmee je anderen in je macht had. De kop met de baard betekent groei en wijsheid, de Druïden hadden lange baarden. De schedel met diadeem is de gekroonde dood. De Kelt was niet bang voor de dood, wel vreesde hij dat zijn naam in vergetelheid zou raken en hij hoopte dat zijn levensverhaal nog generaties lang doorverteld zou worden. Ten slotte de fantoomruiter. Hij werpt het levensdoel voor zich uit en gaat er achteraan. Hij zit niet op het paard, hij zweeft erbóven. Dit zweven symboliseert de eenheid van de mens met de tijd. De slang tussen de voorpoten van het paard is de natuur, de grond, het aardse, de weg waarover je gaat. Die slang is een metgezel, niet iets dat je moet overwinnen, moet doden of beheersen, zoals in het christendom.’

`Interessant,’ zei ze terwijl ze naar de rijen boeken in de boekenkast keek. ‘Speel je ook een muziekinstrument?’

`Een beetje orgel, van de paters geleerd. Ze hielden zowel van Bach als van het Gregoriaans dat ze elke dag zongen.’

`Het lijkt me wel vreemd om hier als kind te wonen, tussen al die mannen.’

`Ik ben hier in de oorlog geboren. Mijn moeder was joods, ze zat hier ondergedoken. Ik heb haar nooit gekend, ze is na de bevrijding naar Israël vertrokken en heeft nooit meer iets laten horen.’

`Heeft ze nooit contact gezocht?’

‘Nee, maar na vier oorlogen tussen Israël en de Arabische landen ben ik blij dat ze me hier achterliet. Mijn vader heb ik evenmin gekend, hij is in de oorlog omgekomen. Anton was in feite mijn vader. Ik vond het prettig hier, ze zorgden voor me. Van moeders kant was er na de oorlog niemand meer. Maar nu zal ik je naar Jeroen brengen, want anders wordt het echt te laat.’

Ze verlieten de studeerkamer en bij de trap aangekomen bleef hij onverrichter zake staan.

‘Mijn enkel.’

`Leun maar op mij.’

Hij legde een arm over haar schouder, drukte haar tegen zich aan en hinkte tree voor tree omhoog.

‘Een wankel evenwicht bewaren, daar gaat het toch om in het leven?’ zei ze plagend.

Hij klopte op Jeroens deur maar alles bleef stil. Toen er geen antwoord kwam, deed hij de deur open en stak zijn hoofd om de hoek. Alles was donker, alleen de maan scheen door het raam. Zachtjes sloot hij de deur weer.

‘Hij slaapt,’ fluisterde hij.

‘Wat nu?’

‘Ik heb een idee. Ik geef je een duif mee en een kokertje waar je een briefje in kunt doen. Jeroen voert ze morgenvroeg en als jij de duif op tijd loslaat, leest hij jouw bericht.’

Hij nam haar mee naar de duivenkamer.

‘Wacht hier, ze zullen ander schrikken van een vreemde.’

In de duivenkamer brandde het nachtlampje. Daar zaten ze, met de koppen onder de vleugels gestoken. Hij strekte zijn arm en greep een duif. Het dier schrok wakker, maakte hese geluidjes en probeerde zich los te wringen. Zachtjes sprak hij de duif toe en zodra deze de stem van de meester hoorde, gaf hij zich gewonnen. Met de duif in de ene hand en de stok in de andere, hinkte hij terug naar de deur.

‘Dit is Issaschar. Doe wel voorzichtig met hem, hij is onze beste.’

‘Moet ik geen voer mee?’ vroeg ze.

‘Niet nodig. Hij is in tien minuten hier. Als je hem kwart voor zeven loslaat, is hij ruim op tijd voor zijn ontbijt. In dit kokertje zit een papiertje, kijk zo maak je het vast aan zijn poot.’

‘Heb je azijn in huis?’ vroeg ze.

‘Ja, hoezo?’ vroeg hij verbaasd.

‘Dan doe ik een azijnverband om je enkel.’

Even later keek hij vanaf de rand van het bed naar zijn blote voet die boven het teiltje bungelde. Hij voelde haar hand die de opgezette enkel betastte en het viel hem op dat zijn been en de voet de vorm hadden van een saxofoon, hij was in goede handen. Ze goot azijn over de voet en wikkelde het verband om zijn enkel. Gedwee liet hij zich bemoederen.

`Mooi al dat haar op je been. Zit het niet te strak?’

‘Het zit als gegoten.’

‘Er niet op lopen,’ zei ze streng. ‘Ik kom er wel uit.’

Hij luisterde naar de voetstappen die zich verwijderden. Hij schoof het gordijn opzij en wachtte. In het maanlicht liep ze naar de wagen. De koplampen knipten aan en het raampje ging omlaag. Ze had hem gezien en zwaaide naar hem. Hij zwaaide terug en keek de wagen na, totdat de rode achterlichten door de poort verdwenen.

 

 

4.

Ik zag wel hoe hij naar haar keek. Gelukkig dacht hij dat ik sliep, hoefde ik niks te zeggen. Ze had denk ik haar dag niet, of ik verwachtte er teveel van.

‘Je vermoordt niks, je brengt het instrument tot leven.’

‘Ik ben toch geen robot?’

‘Concentreer je op het instrument en alles komt goed.’

Aan m’n hoela.

Kijk, ze stapt in, de lichten gaan aan, ze start de motor. Einde verhaal. Ik kan nu nog naar beneden rennen en zeggen dat het me spijt. Ja, haha, in mijn onderbroek zeker. Nu doet ze het raam omlaag, ze zwaait. Niet naar mij. Logisch, ze ziet me niet, ik sta in het donker. Naar Waling. De zeerover. En welke rol ga ik spelen in dit sprookje?

Oh, the Lawd shake the Heavens an’ the Lawd rock the groun.’ An’ the moon goin’ to set in the sea. An’ the stars goin’ to bow befo’ my Lawd, bow down befo’ My Lawd. We had storm befo’, I ain’t so sure this is Judgment Day.

Best koud in m’n blootje, ik ga weer onder de wol. Met mijn kont op de brief. Ik ken hem al uit het hoofd. Wedden?

 

Vroeger tikten hun hoge hakken op de stenen vloer, maar vanavond hoorde ik hun oude botten kraken. Moe van het zwijgen liepen ze achter me aan en ik hield de deur voor ze open. Hun chauffeurs kwamen met opgestoken paraplu’s. En daar gingen ze, twee aan twee terug naar hun wagens. De lichten gingen aan, ruitenwis­sers begonnen natte blade­ren van de voorruiten te vegen. Ik stond in de deuropening en zag ze gaan.

    Na de wake at ik in de refter mijn avond­brood. Men eet niet in het bijzijn van een dode. Nu zit ik naast je en schrijf bij het licht van een kaars die bij je kist brandt. Waarom gelooft men dat de doden zwijgen? Jouw stem is hier in de kamer, ik kan hem horen. Morgen word je begraven. Uit de wijde omtrek zullen ze komen. Hier in de kapel moet ik het woord doen en de tekst aanhalen die jij uitkoos, het is de tekst die ook in je grafsteen is uitgehouwen: “De goede evenals de zondaar, allen treft eenzelfde lot.”

    In den beginne was het woord en het kwam tot ons in steen. Steen werd perkament en perkament werd papier. En nu is het woord weer steen geworden: alles is ijdelheid.

Het zal morgen stil zijn in de kapel, ik zal het woord niet doen. Ze zullen me vinden en den­ken dat het gemis te groot was, dat ik niet wist hoe ik verder moest zonder jou. Alle woorden waarmee jij me wist in te palmen, had je gestolen. Slechts drie woorden waren van jezelf, je fluisterde ze me toe voordat je stierf: `Mijn zoon Waling.’

Jouw aanbidsters, zij die hier waren vanavond, zullen nu wel thuis zijn. Had ik ze moeten laten blijven, had ik moeten zeggen: Waling is zijn zoon? Nee. Ach, ze willen geloven dat het leven iets is dat je kunt vertrouwen, en de dood als een koekje bij de thee.

Anton, ik zag in jou een Franciscus. Ik hing aan je lippen en verzamelde jouw waarheden. Met drie woorden stak jij de verzameling in brand. Ik vroeg eens of de dood een troost is en jij antwoordde dat men zich over de enige zekerheid in het leven niet kan vergissen. Leugenaar! Na al die jaren zie ik dat jouw waarheid geen ontdekken was, maar een krampachtig toedekken. Een slang die in zijn staart bijt. Mij beet hij met drie giftige woorden: Mijn zoon Waling.

 

Ik herinner me de bruiloft in maart 1938, het is nog donker als we de poort uit wandelen. Mijn eerste treinreis. De Duitsers zijn Oostenrijk binnengevallen en ik luister naar gesprek­ken in de coupé. Een boer met een mand vol kippen en een vrouw met haar dochter­tje. Ze denken dat het zo’n vaart niet zal lopen. Die Oostenrij­kers praten toch Duits? Jij zegt dat een volk de leider krijgt die het verdient. We reizen naar het zuiden en in enkele uren tijd is het voorjaar, de krokussen die bij ons nog niet eens boven de grond stonden, staan hier al in bloei. Een zwarte auto brengt ons naar de Sint Jan. Het is voor jou een familieplicht, je leidt de huwelijksmis van je broer en ik mag mee als misdie­naar. Sinds die dag neem je me vaak mee, we zijn ridder en schild­knaap, Don Quichotte en Sancho Panza.

`s Middags drink ik champag­ne en je vraagt me hoe het smaakt.

`Naar appels en naar rook,’ zeg ik.

Eva Cohen was niet knap, maar ze had een stem waaraan je kon horen dat ze wist wat ze wilde. Ze was joods. Het huwelijk met Frank was een katholieke overwin­ning en er werden grappen over gemaakt. Zij lachte erom. Haar kinderen zouden volbloed joden zijn. Haar lach bruiste als de champagne die we dronken en haar woorden klonken als omfloerste bevelen. Zette je daarom je zinnen op haar?

Terwijl ik schrijf en de waarheid probeer te achterhalen, hoor ik je zeggen: ‘Najagen van wind. Wat is, was er reeds lang, en wat zijn zal, is reeds lang geweest; en God zoekt weer op, wat voorbij­ge­gaan is.’

Altijd klonk je bedachtzaam, maar nu maken je woorden me bang. Ik probeer ze te overstemmen met het gekras van mijn pen. Naast de kist staat je foto: de dood knippert niet met de ogen. Hield je van haar? Ik hoor je antwoord al: ‘Alles heeft zijn uur en ieder ding onder de hemel zijn tijd. Wie Hem welgevallig is, geeft Hij wijsheid, maar hem die niet welgevallig is, geeft Hij de taak om te verzamelen en bijeen te brengen, ten einde dit te geven aan wie gode welgeval­lig is. Ook dit is ijdelheid en najagen van wind.’

Schaamteloos geef je antwoord op mijn vragen. Ik moet erom lachen. Hoor, de kist kraakt. Dat klinkt als een protest. Begin je te spoken? Je moest je schamen!

Twee jaar later was ons land aan de beurt en we kregen soldaten ingekwartierd. Jij genoot van de situatie terwijl wij het bestierven. Mijn god, ik hoor ze nog door de gangen stampen, met Eva onder hun voeten in het keldergewelf. Besefte je wel hoe ze haar best deed de baby niet te laten huilen? Volgens jou maakten we ons nodeloos zorgen, de kelder was immers goed geïsoleerd?

Het was in de herfst van 1942, tijdens de appelpluk. Na de vesper riep de abt ons en jij deed het woord, hoe kon het ook anders. Je zei: ‘Ze is joods maar ook katholiek, het is onze plicht. Ze kan bij de drie onderduikers in de kelder.’

De abt zei nee, volgens hem was een vrouw uit den boze, de Heilige Moeder moest de enige vrouw in het klooster zijn. Maar de dag daarna sloop Eva in het donker tussen de appelbomen door en we lieten haar binnen terwijl boven Manfreds herder blafte.

Jouw broer kwam eens in de drie weken op de fiets naar hier en ging bij ons ter communie. Ik heb er nooit aan getwijfeld of Waling wel zijn zoon was.

Het hoogtepunt van je waaghalzerij was die zondag toen je ons zo ver kreeg de kleine Waling in de kapel te dopen met de soldaten erbij. Ze vonden het prachtig. Manfred en de anderen, jij kende ze bij naam en niemand sprak hun taal zo goed als jij. Ze hadden respect voor je, jij was de spil waar hier alles om draaide. Jij kreeg ze in de kapel op hun knieën.

De Geallieerden waren in Frankrijk geland en wij luisterden naar de radio. Jij niet, jij werd somber. Manfred werd prikkelbaar omdat zijn hond was doodgegaan, volgens hem had een van ons het beest vergiftigd. Jij moest hem geruststellen, het was denk ik de enige keer dat je hem niet wist te overtuigen. Je begon je grip op de situatie te verliezen. De Vries had onderduikers verstopt en zijn boerderij ging ’s nachts in vlammen op en hij werd gefusieerd. In het dorp sprak men ons erop aan: `Die moffen zitten bij jullie, waarom is deze keer niemand gewaarschuwd?’

Ik moet je wat bekennen, ik had gemalen glas in het hondenvoer gedaan. Ik moest iets doen, want jij kwam al wekenlang de deur niet meer uit, je had je in je kamer opgesloten en bestudeerde de munten die hij je had gegeven, of je zat in de kelder bij Eva. Je zag niet hoe hij de hond ophitste, jij was er niet bij toen het dier de zoon van de kroegbaas in het gezicht beet. De vader kwam zijn kind te hulp en Manfred schoot hem ter plekke neer.

Hij ontmoette jongens in het dorp, jij haalde je schouders erover op, maar ik zag hoe hij naar de jongens keek, het was een blik die ik herkende. Zeventien was ik en telkens hield ik mezelf voor: “Indien dan uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.” Vasten en bidden hielpen niet.

De oude Ludo wekte mij op een ochtend. Manfred had zich in de kapel verhangen. Ludo sneed het touw door terwijl ik het dode lijf vasthield. Hij stonk, hij had het in zijn broek gedaan en de openstaande mond rook naar jenever. Achter op het hoofd zat geronnen bloed. Niemand maakte zich druk over die wond, het was dat jij er zelf over begon. Hij was dronken, zei jij, hij zou wel gevallen zijn.

Zou het? Volgens mij zat het zo: ik had de hond vermoord en jij zijn baas.

De soldaten vertrokken. Jij regelde dat de onderduikers, Ab, Jos en David met een boot naar Engeland konden gaan. We kregen later brieven van hen uit Haifa en Jeruzalem. Waarom hoorden we nooit meer iets van Eva? Ze ging niet mee met hen, nee, ze ging  een dag later en liet haar kind zomaar achter. Jij had haar niet op andere gedachten kunnen brengen, zei je.

Die avond, toen je kwam vertellen dat een vissersschip haar had meegenomen, waarom beefden je handen toen zo? Je was jezelf niet, je kon niet eens uit je woorden komen. Is ze wel weggegaan? Mijn hoofd verbiedt het me te denken en mijn hand weigert het op te schrijven, maar in mijn hart weet ik het zeker en mijn ingewanden schreeuwen dat het waar is… Eén ding weet ik heel zeker, jij wilde niet uit ons klooster weg.

De kleine Waling bleef. Dat kreeg je, net als toen met mij, ook nu weer voor elkaar. Hij en ik deelden de eer om al als baby in de orde opgenomen te zijn. Waling werd in het klooster geboren. Mij had je achttien jaar daarvoor bij de poort opgeraapt.

 

Na de oorlog vertoonden de gebouwen mankementen, het dak lekte, de kozijnen waren rot. Geld was er niet. Op een dag moest ik met je mee naar een bank in Amsterdam. Jij had een afspraak met de directeur gemaakt en ik moest mee om iets te ondertekenen. De directeur verwachtte ons, de papieren lagen al op zijn bureau. Jij moest nog iets met hem bespreken en jullie liepen de kamer uit. Ik was nieuwsgierig en wilde weten waar ik mijn handtekening onder ging zetten. Er stond dat Eva had geërfd van haar familie. Jij maakte aanspraak op dat geld en je zou het voor Waling beheren. Op de terugweg in de trein vroeg ik je ernaar. Je schrok en zei dat ik het niet goed had begrepen, het geld was van de orde, tegoeden die na de oorlog waren vrijgekomen.

    De pillen heb ik nu ingenomen. Als Waling morgen komt om je te begraven, ben ik er niet meer. Wat er straks komt, weet ik niet. Misschien lig ik weer te vondeling en raapt iemand me op en begint alles van voren af aan. Of misschien is alles omgekeerd en vind ik jou in een dekentje gewikkeld bij de poort.

Ik herinner me dat de deurbel ging. Ik doe open en verwacht de kinderen die op deze avond langs de deuren gaan, liedjes zingend met een kaars in een holle suikerbiet. Het is de dorpsarts, hij noemt mijn naam en zegt dat mijn moeder op sterven ligt. Ik stap in en na een tijdje stoppen we voor een kleine onooglijke woning. Achter het tuinhek staat een geit die mekkert omdat hij nodig gemolken moet worden. Ik ga alleen naar binnen. Op de tafel staat een schoteltje met een waxinelichtje. Ze ligt in de bedstee, haar magere arm hangt langs de rand. De arm beweegt, gaat omhoog, de hand blijft in de lucht hangen als een aangeschoten vogel. Ze wenkt. Ik pak een stoel en kom bij haar zitten. Haar hand voelt benig en koud. Was zij het die me bij de poort had neergelegd?

Ik herken haar. Ze was er elke zondag. Niemand kwam zo trouw als zij. Elke week zat ze in de kloosterkapel zodat ze me kon zien. Dat was haar manier geweest om van me te houden. Ze behield afstand tot dat wat haar heilig was.

Ze fluistert iets, maar ik versta haar niet. Als ik zeg dat alles goed is, ademt ze rustig. Tijdens het Onze Vader voel ik haar hand verslappen en ik hoor haar ademhaling niet meer. Met de magere hand in de mijne zit ik in de doodstille kamer. Totdat de kop van de geit voor het raam verschijnt. Ze mekkert zodra ze me ziet. Met een pan die ik in het keukentje vind, ga ik het huis uit. En ik melk de geit.

Velen van ons vielen van het geloof en vertrokken. Ik bleef hier. Niet om jou, maar om haar. Jouw gepraat over kruis en opstanding zeiden me niets. Mij ging het om het ritme van de seizoenen, het zingen, de gezichten, de lichtjes in de kapel. God was voor mij de geit die gemolken moest worden.

Anton, de dood is dichtbij en ik hoor je zeggen: ‘Bid tot God, Hij zal zich over je ontfermen.’ Ik kan dat niet, men bidt immers niet tot een geit. Toch sprak jij eens het verlossende woord, het was tijdens een vesper. Je las iets van Hölderlin en daarna de woorden van de apostel die zegt: “Mijn genade is u genoeg, kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid.”

Waling, broer, ik laat deze brief achter voor jou, je zult hem op een dag wel in vaders bijbel vinden. Ik weet niet of jij zijn waarheid aan kunt, maar ik verdraag hem niet. Ik denk dat ik weet wat er met jouw moeder gebeurd is, maar opschrijven kan ik dat niet, ik ben niet vaders boodschappenjongen. Maar je weet nu hoe ik erover denk en met dat doel begon ik mijn brief. Adieu.

 

Weddenschap gewonnen.

 

 

5.

Hoor, daar zijn ze. Tekketekketek. Voorzichtig, want ze kennen me. Kogeltje erin, spannen, richten… het moet tussen de takken door. Good mornin’, good mornin. Yes, you boun’ to go to Heaven, sure to go to Heaven. Shit! De tak geraakt. En weg zijn ze. Wat is dat? Wie vliegt daar over de kastanjeboom, recht op ons dak af? Issaschar? Ik deed gister toch het raam dicht? Verdomme, hij hinkt. Ook dat nog. Het raam is niet open, het kan niet. Zie je wel, dicht. Kom eens hier jij…. hebbes. Je bent niet mank, je hebt een koker aan je poot, zo’n ouderwetse. Geintje van pa, hij is dus al wakker. Nee, het is niet van hem, het is van haar.

 

Beste Jeroen,

De Feniciërs gebruikten al duiven om militaire inlichtingen over te brengen en later heeft Julius Caesar ze ingezet tijdens zijn verovering van Gallië. Er bestaan oude afbeeldingen van heilige, aan Astarte gewijde duiven. Bij de oude Grieken was de duif gewijd aan Aphrodite, maar ze fokten ze ook voor de slacht. In de bijbel was de duif een offerdier, maar ook een koerier: een duif vloog met een olijftak terug naar Noachs ark. Napoleon gebruikte ze bij de slag bij Waterloo. Maar ik gebruik jouw duif om je te zeggen dat het me spijt van gister. Ik wist niet dat de duiven zoveel voor je betekenen, ik gaf je niet de kans om het te vertellen en ik hoop dat je me die kans nog geeft. We hebben gister dat stuk van Moesorgski gespeeld van kuikens die uit hun eieren komen. Ik stel voor dat we dat nog eens overdoen ter ere van jouw duiven. Hopelijk tot ziens, groeten, Irina.

 

Knap, op zo’n klein papiertje. Moessorgski? Die was aan de drank. Nacht op de kale berg. Liederen en dansen van de dood. Jongens, rustig. Dina, wat zit je te smoezen? Niet doen, weg bij die omes, die gaan de pan in. Heb jij niks aan. Bij je broers moet je zijn. Juist. En die domme gans gaat jouw eieren uitbroeden. Precies, je kunt haar best eens lekker op haar falie geven, want ze heeft niks bij je broers te zoeken. Dat jij er bent, hebben we toch mooi aan Waling te danken. Ik zei dat het geen zin had en waarschuwde hem: ‘Er komt niks uit, Sjouke schudt ze en dan gaat de boel van binnen stuk,’ zei ik. Maar hij wilde het er toch op wagen. Twaalf eieren. Hij zei: ‘Als er wat uit komt, zullen het doordouwers zijn.’ Wist je dat één ei een briefje van duizend kostte? Dus Dina, geen gesmoes met die armoedzaaiers. Moessorgski’s ballet van de kuikentjes… weten jullie wat? Ik componeer een stuk voor haar. Dat is beter dan in mijn onderbroek naar buiten rennen en zeggen dat het me spijt.

Eieren, duiven… Jonge duiven liggen in hun nest. Geen kuikengetjilp. Stilte. De hartslag. Achter de wand klinken stemmen, daar moet je heen, daar zijn de anderen. Je zet je schrap, krabt met je poten, bijt, duwt, beukt, je moet er doorheen, de punt is je enige wapen. Breken, knarsen, scheuren, draaien… Je hoort je eigen benauwde gepiep. Totdat… aaah! En daarna lig je tegen haar huid. Je voelt haar snavel tegen de jouwe en blind vreet je haar kots. Als ze opvliegt, is er een koude windvlaag en je rilt. Je ogen gaan open en je ziet hun vleugels. Kriebel. Je dons laat los, de schachten groeien, je zet je schrap en spant je spieren. En op een dag ga je mee. Je kan het. Slaan, vouwen, strekken en spreiden, omhoog, je weet dat ze je dragen. Hoger en hoger. Je hoort het suizen van de wind. Je hartslag. Stilte. Hoor, de kerkklok slaat negen. Oké jongens, ik ga de kastanjes uitstrooien voor de poort en dan naar Waling, want ’s zondags maak ik zijn ontbijt.

Voor een beschuit komt hij eruit. Eitje erbij, zachtgekookt. Wonderlijk ding. Gewoon eiwit eerst, dan botten, een snavel, ogen, alles erop en eraan. Drie weken broeden. Moest bij mensen ook kunnen, negen maanden in een broedmachine. Geen moeders meer nodig dan. Maar wie verzorgt ze daarna? Ik ben van de Duyvis, voor als er een fuif is! De pers, de pers, waar is nou weer de pers? Ei, zout, jus en de koffie, alles op het dienblad. Hij is vast weer met zijn munten bezig. Deuropendoenisaltijdlinkmetéénhand. Ja hoor, daar zit hij. Het vergrootglas in de hand. ’t Lapje is weg, onze piraat is weer Sherlok Holmes.

‘Goedemorgen pa, hier is je zondagontbijt. Je krijgt de groeten van Issaschar.’

‘Dat is mooi! En?’

‘Ach, ik weet het niet. Het lukt ook wel zonder haar.’

‘Onzin, Irina kan je verder helpen. Ik weet wat, we tossen erom. Jij mag als eerste kiezen: kop of paard?’

‘Yeah, roll dem bones, voor mij het paard!’

Daar gaat ie, de lucht in, valt op de grond, rolt door, draait om z’n as en blijft liggen. Boeh, ’t is kop.

‘Misschien kun jij me dan helpen? Ik wil in Barcelona iets componeren voor haar. Weet jij iets? Het moet over duiven gaan.’

‘Flamingoduivenjazz…? Ik zal er eens over nadenken.’

‘Gerard en ik laten vanmiddag de duiven vliegen. Ik neem Issaschar en Naftali mee.’

`Naftali? Beter van niet. Zodra die een andere duif ziet, ben je de klos want hij doet niets liever dan zitten flirten bij vreemden op het dak. Neem Zebulon mee. Waar laten jullie ze los?’

‘Bij de kerktoren van Noordhorn.’

 

*

 

Jezus, wat een strontlucht, van hier tot aan de dijk stinkt het uren in de wind. In India zijn koeien heilig, maar hier? Hij mag van zijn vader op zondag niet werken, wat doet hij dan hier? Is het hem wel? Moet wel, alleen hij zingt Bach op de tractor.

‘Hé strontboer, ’t is toch zondag!’

‘Ha Jeroen! Pa wou ‘t ook niet hebben, maar doar hek schijt an. Totaal onpraktische man. Lasst Satan wuten, rasen krachen, der starke Gott wird uns unüberwindlich machen. Vanavond regen en dan kan ’k immers ’t land niet meer op. Kom, ik hang hier je fiets aan.‘

‘Heb je gespeeld vanochtend?’

‘Ik kan in de kerk orgelspelen en ’s middags strontrijden, of niet soms! Kom eens mee naar de kerk, dan laten we ze zingen en na afloopt samen iets uit een Brandenburgs concert. Ik op het orgel, jij op je saxofoon.’

‘Ga je door de Voorstraat? Waarom niet via het weggetje achterom?’

‘Jeroen, ik breng vandaag wat leven in de brouwerij. Wij samen op de trekker door het dorp. Dat is morgen het gesprek van de dag. Ich hab in Gottes Herz und Sinn mein Herz und Sinn ergeben. Was Böse scheint, ist mein Gewinn, der Tod selbst ist mein Leben!

‘Lulhannes, hou je kop en zet de muziek zachter, ze staan al achter de ramen naar ons te koekeloeren.’

Ich bin ein Sohn des, der den Thron des Himmels aufgezogen: ob er gleich schlägt und Kreuz auflegt, bleibt doch sein Herz gewogen!’

‘Verdomme Gerard, zet die muziek af. Kijk, je vader staat je al op te wachten.’

‘Moi pa! Toch nog mooi afgekregen voor de regen! Heb Jeroen de ransuil laten zien! Wat? Of ik van de trekker af kom en meteen naar binnen? Hoezo? Jeroen en ik moeten opschieten zie! Om vier uur lossen we de duiven! Wat? Dat hij naar huis moet en ik naar binnen? Man, schreeuw niet zo, ik ben niet doof! En wie helpt jou dan straks om zes uur melken? Wie staat er morgen om vijf uur met je op? Wie speelt er zondags de sterren van de hemel voor jou? Wie werkt zich hier een slag in de rondte? En waarvoor? We melken ’s zondags toch ook de koeien? Nou dan! Die muziek? Die had ik expres aanstaan. Waarom? Weet je wat ze zingen? Durch Jesu rotes Blut bin ich in seine Hand geschrieben; Er schützt mich doch. Door Jezus’ rode bloed sta ik in zijn hand geschreven. Hij beschermt me immers!’

 

*

 

‘Gerard, we moeten een beetje doorfietsen, anders zijn we niet op tijd. Waarom deed je vader zo?’

‘Omdat hij zo is.’

‘Deden de aardappelen nog wat deze week?’

‘Dat ging. Maar de bieten was niks. Ma weer janken.’

‘Ga dan studeren. Die boerderij, dat wordt immers toch niks.’

‘Ma wil dat ik het overneem, ik ben de laatste der Mohikanen.’

‘Ja, en je pa voelt zich schuldig, daarom liep hij huilend weg.’

‘Geloof ik niet. Hij kan me niet accepteren zoals ik ben. Ach, ’t is gewoon een kuddag vandaag. Eerst zo’n domme preek van de dominee over het milieu. Daarna zitten we thuis aan de koffie, komt Gerda huilend binnen en zegt: ‘De biggen doen zo raar.’ Vier biggen gestikt in kastanjes die ze aan de varkens had gevoerd. Bij jullie gevonden, zei ze. Nou, toen ging ik maar op de trekker weg en jij komt me ophalen, leuk. Maar dan staat pa te schreeuwen en loopt huilend weg.’

‘Gister viel Waling uit de boom en hij was zijn oog kwijt. Ik heb een halfuur in het gras liggen zoeken.’

‘Wat moest hij in de boom, hij is toch Zacheüs niet?’

‘Er moesten takken af, want hij vond het te donker worden in huis. Het moest dit weekend, want volgende week zit ik in Barcelona.’

‘Ik hard werken en meneer gaat lekker op vakantie.’

‘Niks vakantie, ik ga componeren.’

‘Ja, hoe ging eigenlijk gister je eerste les?’

‘Hm.’

‘Zo te horen niet zo best. Weet je wat het is met jou? Je hebt een autoriteitsprobleem, daarom hebben ze je ook van school getrapt.’

‘Ik een probleem? Wie zingt hier dag en nacht Bach terwijl hij niet in God gelooft?’

‘Doe me een lol. Als ik dat eerlijk zeg, slaat pa me dood. Bach zing ik, ja. Omdat Jezus ook homo was, maar dat snapt niemand. Wie gaat er anders voor zijn lol aan een kruis hangen? Dat doe je alleen als je smoorverliefd bent en ten einde raad. Paulus zegt: Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen een doorn in het vlees gegeven, een engel des Satans om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen. Die man weet waar hij het over heeft. Hij snapte waar Jezus last van had. Heb jij nooit ruzie met je vader?’

‘Nooit.’

‘In ’t dorp zijn ze blij dat hij terug is. Koert nog het meest, hij wil met je pa een groot bouwproject beginnen.’

‘Laten we straks bij Koert gaan biljarten.’

‘Kan niet, moet melken.’

‘Als god niet bestaat, is alles onze schuld. Wie daar niet tegen kan, pleegt zelfmoord.’

‘Denk je nog wel eens aan je moeder?’

‘Af en toe.’

‘Wist je dat Bach op zijn negende al wees was? Twintig kinderen kreeg hij later, waarvan maar negen hem overleefden. Elf begrafenissen. Nee, twaalf met die van zijn eerste vrouw erbij. Ik denk dat hij daarom zulke mooie muziek heeft gemaakt. Hoor je Bach, dan voel je verdriet en doorzettingsvermogen. Kijk, de toren van Noordhorn. Vijf voor vier, ik kan nog een sjekkie roken.’

‘Rook jij maar, dan maak ik de deksels alvast los. We laten ze los bij de vierde slag.’

‘De jouwe winnen toch.’

‘Eén, twee, drie, los. Kijk! Wat raar, ze vliegen de verkeerde kant op!’

‘Ja, de jouwe voorop en de mijne er achteraan. Dat doen ze uit beleefdheid om jouw dure duiven niet te beledigen. Hahaha! Man, kijk niet zo sip.’

‘Ik snap er niks van.’

‘Onweer op til, dat is het. Moet je de lucht zien. Die beesten zijn niet dom, ze vliegen om de bui heen. Ik smeer ‘m trouwens ook want zo te zien wordt het noodweer. Opschieten, kom mee.’

‘Ik heb geen zin om hard te fietsen.’

‘Oké, see you! Wens je vader beterschap!’

Klotewind. En ook altijd die kraaien. Ik kan eigenlijk net zo goed afstappen, zo hard waait het. Bring my goat! Volhouden. De laatste kilometer. Ja hoor, onweer. Hear that? Gawd’s laughin’ at you! In ’t zicht van de haven zeiknat! De poort, eindelijk. Nu naar boven. Waling zit er nog?

‘Jongen, je lijkt wel een natte dweil!’

Waarom kijkt hij zo ongerust? Er is wat. Dat rode op zijn hand. Bloed?

‘Waar is Issaschar?’

‘Jeroen, het begon hard te waaien, dus ik dacht: dit wordt een goede krachtproef voor onze kloosterduiven. Maar na een uur werd ik behoorlijk ongerust want ze waren er nog steeds niet. Een paar minuten geleden kwamen ze binnen. Maar schrik niet, Zebulon is gewond. Issaschar mankeert gelukkig niks.’

‘Laat kijken. Dit heeft een roofvogel gedaan. Hij redt het wel, maar het moet zorgvuldig gehecht, anders sterven zijn borstspieren af. Met mij mee naar Barcelona kan hij vergeten.’

 

                                                                                                                                        ************