Paarden voeren



De zondagse wandeling ging door de natuur, ik had er die week paarden zien draven. Onderweg erheen vertelde hij me dat kinderen in de klas hadden gezegd dat Iza een naam voor meisjes was.

‘Iza kan voor allebei, maar Izabel en Liza zijn namen voor meisjes,’ zei ik.

‘En Izar?’ stelde hij voor.

‘Ze zullen je ermee plagen en zeggen dat je van ijzer bent,’ zei ik.

‘En Izau?’ probeerde hij nog.

‘Dat is een varken in het Duits, dat wil je niet.’

Hij concludeerde dat Iza een korte naam was die hij met trots kon dragen.

Ik was ik die middag niet zo trots op mezelf, vanwege de paarden. Altijd ging de wandeling langs een paardenwei. De dieren stonden met de hoofden over het prikkeldraad gebogen en schrokten het brood en de appel naar binnen. Vandaag had ik een nieuwe route door de natuur gekozen, eigenlijk een te lange wandeling voor hem. Toen we tenslotte bij een hek aankwamen, was er geen paard te zien.  

‘Waar zijn ze?’ vroeg hij.

‘Verderop misschien, achter die bomen. Daar staan ze vast en houden zich voor ons verborgen,’ opperde ik.

We riepen en klakten met onze tong, maar ze kwamen niet. Wel een heel verschil met de paarden die altijd braaf stonden te wachten.

‘Waarom komen ze niet?’ vroeg hij.

‘Ze zijn denk ik schuw. Of de eigenaar heeft ze opgehaald misschien.’   

Ik maakte aanstalten om terug te gaan, maar hij klauterde op het hek.   

‘Wat ga je doen?’ vroeg ik.

‘Kijken of ze er zijn.’

‘Dat hoeft immers niet, we hebben niks voor ze meegebracht.’

Dat was zo. We waren laat vertrokken en in de haast was ik vergeten iets voor de paarden mee te nemen. Hij liet zich echter niet weerhouden en stond al achter het hek.

‘Wil je echt naar ze toe?’ vroeg ik nog.

Hij knikte en daar ging hij, hollend door het hoge gras.

Ongerust keek ik hem na. Wat als ze niet hielden van bezoek? Misschien gingen ze schoppen of bijten. Ik kon hem toch niet zomaar laten gaan? Toch bleef ik staan en zag hoe hij achter de bomen verdween.

Het vergeten brood was niet de echte reden waarom ik hem had willen tegenhouden. Paarden vond ik eng en ik was geen held. Iza vond ze leuk, zelf hield ik meer van bos. Zulke grote dieren, wat ging er in ze om? Hun onderdanigheid en slaafse trouw begreep ik niet. Hoe hield een dier dat vol? Ze hadden redenen te over om eens goed kwaad te worden en van zich af te trappen.

Iza was in zijn eentje naar ze toe gegaan. Wat als ze hem iets aandeden? Vanavond werd hij bij zijn moeder verwacht, wat kon ik dan zeggen? Je moet er geen drama van maken, hield ik mezelf voor. Er zijn hier immers geen paarden. En zijn ze er wel, dan is het goed dat hij alleen is gegaan, want ze rennen weg als ze een volwassen man zien, maar van een kleine jongen hebben ze niets te duchten. Ze zullen zich door hem laten aaien.

Na een eeuwigheid kwam hij tevoorschijn. Op zijn elvendertigst liep hij terug en bij de klim over het hek haalde hij zijn broek nog open aan een spijker.

‘Hoe was het?’ vroeg ik terwijl ik het groen van zijn broek klopte.

‘Leuk,’ zei hij.

Dat was het, daar bleef het bij. Over het bezoek viel niet meer te zeggen. Of de paarden er werkelijk waren, heb ik niet gevraagd. Dat weet alleen hij.