Bossche ode op JZ

    van spraakmakers pallet slingeren niet mis te verstane klodders   verf kletst   op muren ramen deuren monden   tegen schaduwloze taal uit de boom gevallen eenden drijven in blauwe vulliszakken   geen nood, hoera! daar huist ook wolk breuk je navel streng te pronk aan de kraaiende kimme vist hoofdstedelijke o gen op uit diepgezwommen gr88888888   en scheert ze met de al gen krabber   ik schrijft er m’n brieven mee: – ik houd, zij houdt, wij houten echt en hemelsbreed vindt elke brief de weg terug naar eigen nest waar hooggetande steunpilaren in blauw hun afscheid koeren   doet iemand ertoe die met de deur in en verf smijt, af- schraapt, de vracht  bevraagt, zich schuwend afvraagt waar de kwast wiens hand het pallet hoe de duim te bevragen   wie schoot op straten van kinderhoofdjes de pijl af en spreidde haar beenderen   Hjir lykwols zoenen blote voeten knekelgraag een karrenspoor naar ’t zôajn dat aan vallende wijzers gehangen oren betrekt, polsend op handen zijnde bedes   wees dan
Lees verder...

Stenen verdrinken niet

Paul Celan, pseudoniem voor Paul Antschel (1920-1970) wordt gerekend tot de belangrijkste dichters van de tweede helft van de twintigste eeuw. Zijn gedichten zijn vaak moeilijk te doorgronden, hij verwerkte er zijn ervaringen in van de Holocaust. Een beroemde zin uit het gedicht Todesfuge luidt: ‘Der Tot ist ein Meister aus Deutschland.’ In dat gedicht herdenkt hij zijn moeder die in een kamp werd vermoord. Celan heeft eens gezegd dat het gedicht bedoeld was als een graf voor haar. Er zijn interpretatoren die Celans oeuvre beschouwen als ‘herdenkingspoëzie’. Zijn gedichten zouden uitsluitend gaan over het drama van de moord op miljoenen joden. Maar als poëzie enkel een middel is om terug te kijken, is het dan niet zijn ziel kwijt? Onderstaand fragment komt uit de bundel Atemwende (Ademkeer) uit 1967. De vertaling is van Ton Naaijkens (2003).   IN DEN FLÜSSEN nördlich der Zukunft werf ich das Netz aus, das du zögernd beschwerst mit von Steinen geschriebenen Schatten.   IN
Lees verder...

Nigger, are you crasy?

Velen hoopten dat de kwestie van het ras zou zijn beslecht met Obama als president. Sinds de geweldsuitbarstingen in de zomer van 2014 is duidelijk dat die hoop niet gegrond is. Hoe verwoord je racisme? Hierover stond 31 juli een artikel in de NRC, met de kop: ‘Nigger are you crasy?’ In het stuk gaf Guus Valk een heldere analyse van de rassenproblematiek in de VS. Aan de hand van recent verschenen romans wierp hij licht op hoe verschillend je het woord ‘ras’ kunt bezien. Maar The Washington Post kreeg lucht van de kop en maakte er korte metten mee. De toon was ongeveer als volgt: Wat verbeelden Nederlanders zich eigenlijk? Zomaar dat N-woord gebruiken in de krant? Ze mogen hun mond wel eens houden en de hand in eigen boezem steken. Zelf discrimeren ze er lustig op los met hun Black Peter en Sinterklaas. De toon is gezet. Mede door The Washington Post begint de zwartepietendiscussie deze zomer al.
Lees verder...

Een filosofisch hordentheater

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag (7 augustus 2015) geeft Annette Embrechts een impressie van het Boulevardfestival dat momenteel in ’s-Hertogenbosch plaats vindt. In haar artikel roert ze het thema aan van de enkeling versus de groep. Het thema van de individualiteit is een filosofisch onderwerp bij uitstek. Omdat ik ook inwoner van deze stad ben, las ik haar artikel aandachtig. De manier waarop ze tegen het collectief versus de eenling aankijkt, roept echter vragen bij me op. Ze blijft van buitenaf tegen haar onderwerp aankijken, terwijl individualiteit zich juist leent tot een benadering van binnenuit. Er is dan meer over te vertellen dan Embrechts doet. Ook krijgt dan het kunstenaarschap van de kunstenaars de lof die het toekomt. Het is jammer dat dit in Embrechts’ stuk niet gebeurt. Filosoof Gerard Visser beschrijft in zijn boek ‘Water dat zich laat oversteken’ hoe individualiteit als een brug kan fungeren tussen het collectief en de eenling. Jeroen Bosch lichtte in zijn schilderijen 500 jaar geleden
Lees verder...

‘s-Hertogenbosch verdient geen hel

Op dinsdag 14 juli neemt de gemeenteraad van ‘s-Hertogenbosch een besluit over de toekomst van een stuk natuur achter het Jeroen Bosch ziekenhuis. Er staan ruim honderd bomen, waaronder tientallen walnoten, kersen, pruimen, appels en perenbomen. De gemeente noemt het een volkstuin, maar in wezen is het een recreatie gebied voor mens en natuur waarin de biodiversiteit een kans krijgt. De gemeente wil daar een parkeergarage bouwen voor meer dan duizend auto’s. De politieke besluitvorming heeft wel iets weg van het schilderij De tuin der lusten van Jheronimus Bosch. Deze schilder leefde 500 jaar geleden, hetgeen de stad in 2016 met een grote tentoonstelling herdenkt. Op dat schilderij kom ik straks terug. Eerst schilder ik de politieke gang van zake. Ik zeg het niet graag luidop en schrijf dus fluisterend dat de plaatselijke politici duimendraaiers zijn die liever bij elkaar op schoot zitten dan daadkrachtig beleid te maken (uitgezonderd Bosch Belang, de SP, de Groenen en GroenLinks). In het afgelopen
Lees verder...

De aap die over water liep

Toen iemand me vroeg wat ik toch met het paardige bedoel, bladerde ik door mijn artikelen en las ik het stuk over Frans de Waal weer. Twee jaar geleden schreef ik dat stuk. En terwijl ik het tijdens de paasdagen herlas (en ook maar meteen herschreef), realiseerde ik me dat het idee van het paardige hier is ontstaan. Apen hoef je niet te leren klimmen en mensen hoef je niet te leren denken, was mijn stelling. Toch vindt Frans de Waal dat mensapen mij te denken geven. In zijn recente boek: ‘De Bonobo en de Tien Geboden’ (2013), vertelt hij over het gedrag van mensapen. Zijn observaties zijn vaak grappig en ook ontroerend. Hij laat zien dat primaten zich emotioneel in elkaar kunnen verplaatsen en dat ze het vermogen hebben elkaar te troosten. Ze hebben ook een gevoel voor rechtvaardige beloning. Het altruïstische gedrag waarvan ze blijk geven, levert hen geen individueel voordeel op, maar waarborgt de harmonie in de groep. Dit
Lees verder...

Zielig of bezield – door de bomen ’t Bosch (8)

Jeroen Bosch is een liefhebber van duivels, niet van bomen. Hij schildert zijn hellegedrochten op houten panelen, dus enige compassie met de geduldige leveranciers van het hout is dan wel te verwachten. Hij schildert echter voornamelijk holle, dode bomen. Zijn afkeer van bomen doet denken aan de missionaris Bonifatius die zevenhonderd jaar voor hem heilige eiken in Friesland liet kappen om de Germaanse goden te provoceren, wat hem terecht duur kwam te staan. Vanwaar Bosch’ aversie voor bomen en hoe is zijn voorkeur voor duvels te verklaren? Aan jaarringen hechtte hij geen waarde – hij zag niks in een cyclische tijd van zaaien en oogsten, bloeien en afsterven. Hierin verschilt Bosch radicaal met een schilder als Van Gogh die zijn inspiratie wel haalde uit de natuur, denk aan zijn bloeiende appelbomen. Bosch is in de ban van een soort ongeduld, hij forceert met de duivels een opening naar een tijd met een doel. Bosch wil zicht krijgen op een rechtlijnige
Lees verder...

Zielig of bezield – door het oog van Jeroen Bosch (7)

De ogen zijn de spiegel van de ziel, zei Leonardo da Vinci. Hij bedoelde dat de ogen van de ander laten zien of ze jou bevestigen of niet – de ogen zijn dus een spiegel voor de ander die erin kijkt. Anderen menen dat de ogen een venster zijn naar de ziel. Bekend is de mythe van Narcissus die dacht dat hij via het spiegelende vijverwater in zijn ziel kon kijken. Hij boog te diep voorover, viel in het water en verdronk. De moraal van het verhaal ten spijt, moedigen bepaalde psychologen hun cliënten aan om diep in zichzelf te kijken, bijvoorbeeld door voor een spiegel zichzelf in de ogen te kijken. Ik heb in dit zevende deel over Jeroen Bosch, de schilder in de ogen gekeken die 500 jaar geleden overleed. Om begrijpelijke redenen was dat een hels karwei. De ogen van de ziel De filosoof Plato  dacht dat de ziel ogen had, en vleugels zelfs. Na de dood zou
Lees verder...

Zielig of bezield – Bosch’ ware ik (6)

Ik droomde vannacht dat ik Jeroen Bosch was. Niemand begreep mijn schilderijen en dat maakte me woedend. Wakker geworden, wist ik weer dat ik helemaal niet tekenen, laat staan schilderen kan, ik zou nooit Jeroen Bosch kunnen zijn. Vanwaar dan zo’n droom? Omdat zijn werk me intrigeert en Bosch’ ware ik niet bestaat zonder het mijne. Ik probeer hem te begrijpen en dat begrijpen vat ik liefst letterlijk op: als een mentaal gejudo. Met een mooie worp wil ik hem de lucht in – en in een houdgreep krijgen. Een spiegelgevecht is het, waarbij ik voor zijn schilderijen gekke bekken trek. Ik speel een taalspel met schijnbewegingen die minstens zo interessant zijn als de krachtmeting zelf. In het echt had ik Bosch natuurlijk nooit de mat op gekregen. Wel hadden we een boom kunnen opzetten over Jacobs worsteling te Pniël en we hadden vast gelachen om moeder Rebecca die, via haar zoon, haar blinde man Izaäk voor het lapje hield.
Lees verder...

Zielig of bezield – een nieuwe lente (5)

Iemand houdt van de lente, of krijgt last van een voorjaarsdepressie. Ik neigde zelf tot het laatste. Een warme voorjaarsdag gaf me dikwijls valse hoop, de lente vond ik een verraderlijk jaargetijde. Maar sinds ik eigenaar ben van een volkstuin, zit ik jaarlijks op mijn knieën naar de grond te turen om te zien of de tuinbonen en kapucijners al doorbreken. Ze kunnen goed tegen de nachtvorst. Een week sneeuw in maart deert ze niet. De plantenbakken op mijn balkon vul ik vroeg in maart met viooltjes. Zij kunnen ook goed tegen de vorst, in tegenstelling tot de hanggeraniums die ik pas in juni plant. Of Jeroen Bosch ooit knielde op een bed violen, waag ik te betwijfelen. Volgens mij hield hij niet van bloemen, hij schildert ze nergens, behalve in De tuin der lusten – als symbolen van schone schijn en obsceniteit. Mogelijk was zijn reactie op de lente net als die van O. Den Beste (Wim de Bie).
Lees verder...