Visser van Birdaard

. Er zit vaart in de nacht. De jongen droomt in ‘t wiekend huis dat hij al zestien. In werkelijkheid half zo oud, ligt hij op de overloop. Naast de bedbak tikt de wekker. In het donker vindt z’n hand de bel en stopt het rinkelen. De echo beklijft op het slaapgordijn. De kleren gaan aan en hij gaat, nu de anderen nog slapen. De arken schemering in, met hengel emmer brood. Door ‘t natte gras dat op z’n rubberlaarzen tranen maakt. De vloedlijn van de Ee draagt heel ’t firmament. Zeeën van nevel waar de zon in opduikt en de mist aan flarden slaat. Geen golven en geen wolken zijn. Enkel een dobber. En ’t wakkere beneden. Dromen voorntjes van dolfijnen of van een emmer water op de kant? In ’t licht drogen laarstranen vlug. De warmte op de huid bezinkt en onderhuids wil een drang beklinken. Intussen vaart de dobber. . En de dagen kijken neer op de
Lees verder...