Visser van Birdaard

George Braque, Derrière le miroir 1949

.

Er zit vaart in de nacht. De jongen in ‘t wiekend huis droomt dat hij al zestien. In werkelijkheid half zo oud ligt hij op de overloop. Naast de bedbak tikt de wekker.

In het donker vindt z’n hand de bel; de ochtend beklijft op het slaapgordijn. De kleren gaan aan. Hij gaat, nu de anderen nog slapen.

De arken schemering in. Met hengel emmer brood, door ‘t natte gras dat tranen maakt op rubberlaarzen.

‘t Firmament rust op de vloedlijn van de Ee; zeeën van nevel waar de zon in opduikt en de mist aan flarden slaat.

Geen golven zijn noch wolken, de dobber is. En ’t wakkere beneden. Dromen voorntjes van dolfijnen of van een emmer water op de kant?

De laarstranen drogen in het licht; warmte op de huid bezinkt en onderhuids wil een drang beklinken. Intussen vaart de dobber.

.

En de dag kijkt neer op de achtjarige man die daar zit. Aan de oever – naast een joch van zestig die naar de tukkende dobber tuurt.

Beneden is honger ’t heersende bewind; schrikkerige scholing, een elkaar wakker schubben in ‘t net. Groten eten kleinen en de kleine die eet brood.

Aangehaakt op deze wet geeft de dobber schik. Stribbelend verzet beloont geduldig azen, dat, getoonzet op de lijn, vissen leert rondjes zwemmen.

Zinken is een must voor de dobber. Wat trekt is tegenspartelend licht; neuzen zien weerspiegeld in de kring onder het hengsel;

met blote handen kou onthaken; in geplons een toebehoren horen – ‘t zich wentelen van de dag. De emmer leeggekiept, gaan de twee weer uit elkaar.

En de Ee stroomt verder naar een oeverloze O. Vrij licht dat even danst nog op de rand van de lege laars – laat ’t dan en neemt de benen.

.

.