Picasso-opera, scene 5

Zo! Hallo zeg, aan handen en voeten die touwladder op, wat een klus! Maar ‘t is gelukt, ik ben aan boord. Een hemelladder, net wat u zegt. Als historicus zou ik dan toch zeggen: een Jacobsladder. Verrassend, ik had u niet aan boord verwacht, maar u bent er dus al. Onze gastheer is elders bezig en brengt nog zaken in gereedheid? Mooi. Nu we dan onder ons zijn, wil ik u wat vragen: wat dunkt u van Ruïz’ vaartuig? Denkt u dat hij er het ruime sop mee op kan?

Oh, onze toreador heeft u wijsgemaakt dat hij zijn vervoersmiddel op muziek van Bach van de zeebodem opdook? Onzin natuurlijk, Ruïz kent Bach niet echt. Kijk maar naar zijn personeel, alles oogt eender, ieder wil hier op elkaar lijken en men praat elkaar na. Meelopers zijn het. Eeuwig zonde, juist omdat Bach een antigif is tegen deze zonde.

Ik kan u verklappen dat onze gastheer niet zo origineel is als hij denkt, hij heeft zijn vervoersmiddel namelijk niet opgedoken, maar afgekeken van de schilder Bosch (1450-1516), zoon van Anthonis van Aken (1420-1478), kleinzoon van Thomas van Aken (1355-1411). Maar tegenwoordig draait alles om de dochters en kleindochters, zoals u weet. Onder filosofen bestond een tendens te willen waken over het raadsel van de oorsprong, maar die wil heeft plaats gemaakt voor het willen heersen over de eisprong. De wil tot macht, nietwaar?

Toch mag ik Ruïz, hij is op zijn manier oprecht. Maar zijn surrealistische verhalen bestaan uit een mix van historische feiten die ik vaak moet corrigeren. Hij is een man van de oude stempel, net als ik. Helaas is hij bij zijn speuren naar de oorsprong blijven steken in de sprong. Hij vindt geen rust in het oor, zoals ik. De toekomst komt in golven, maar voor Ruïz blijft het leven een sprong in het diepe. Hij heeft zijn bark leren lopen, want mochten de golven eens als bergtoppen zijn, dan wil hij van de ene top naar de andere kunnen ‘vliegen.’ Ik begrijp hem, ik voel met hem mee. Ik weet waar hij heen wil, alleen geloof ik niet in zijn vervoer. Ik vrees dat de voeten bij ruw weer het evenwicht niet zullen bewaren.

Weet u, voor mij zijn boten als vissen, ze varen niet, ze zwemmen. Ik spring niet, ik ben een meezwemmens. En ik duik wel onder als dat nodig is. Ik verdenk Ruïz ervan dat zijn sprong eigenlijk ook geen sprong is, maar een vrije val. Hij is een Icarus. Maar nu lang genoeg gezwetst over tijd en toekomst. Wat zie ik nu? De heer des huizes heeft zijn hal verbouwd tot grot, en niet zomaar een grot. Zo te zien heeft hij de grot van Lascaux nagebouwd, ik herken de vogelman. Heel bijzonder.

Plato joeg de mens naar buiten en Ruïz verwelkomt ons er weer. Hij wil ons blijkbaar in een bepaalde stemming brengen, maar welke stemming zou dat zijn? Graffiti, 20.000 jaar oud, in 1940 ontdekt ten tijde van Ruïz’ beroemde voorvader Picasso. Ben benieuwd wat hij ermee wil. En kijk, als je het over de duvel hebt…  daar is hij.

Heren, excuus voor het oponthoud. Blijft u niet op de drempel staan, komt u binnen. Waar zijn de anderen? Ah, ik hoor ze al boven komen. Mooi. Wat vindt u van de entree? Ik zeg altijd: Wie over de toekomst praat, moet bij het begin beginnen. Hoe zegt de dichter van de Elbe het?

Wat zeg je Max? Je vind dit een tekst die ik morgen in de kathedraal moet voordragen? Nee, geen Inanna-kathedraal voor mij. Mijn bestemming ligt elders: onder de maan op de lange rivier schuif ik met u naar zee.

Zeven man tel ik, mezelf incluis, we zijn compleet. U bent nieuw, dus ik zal de anderen aan u voorstellen. Dit is René Laozé, hydrobioloog. En dit is Yukio Lee uit Tokio. En dit Prof. dr. Gerrit Max, historicus. En laten we de heren Hepkema en Tjepkema niet vergeten. Welkom allen. Uw gastheer te mogen zijn is mij een eer. Wat zegt u? U kende de anderen reeds? Uitstekend! Des te beter, een gewaarschuwd man telt voor twee. En inmiddels zijn uw glazen gevuld en ik zeg: Proost! Be Salahmati! Op Blijheid, Ei-heid en Moederschap, zoals de ASJTAR-dames het in hun kathedraal zo koket zeggen.

Morgen is voor u de grote dag, in de kathedraal hoort u of u bent uitverkoren en of uw nageslacht tot de elite zal behoren. Vanavond is zogezegd uw vrijgezellenavond. Oh, u weet niet wat dat is? Wij blazen het vanavond nieuw leven in! Kijkt u eens naar de wand: wie neemt daar wie op de horen? Professor Max, u had dacht ik een idee. Hoorde ik u niet spreken van ‘den duvel’?

Zeg maar Max. En dat van de duvel was bij wijze van spreken. Ik wil wel iets zeggen over deze grotschildering, op voorwaarde dat u straks vertelt wat uw beweegreden is voor deze entree.

Max, pardon. Voordat je van wal steekt, wil ik iets zeggen. Ik schrik eigenlijk van deze hal. Hij valt mij zeer rauw op m’n dak, als ik het zeggen mag. En ik wil onze gastheer erop attenderen dat mijn collega Tjepkema en ik vanavond iets heel anders hadden verwacht. Ons was een concert van Khatia in het vooruitzicht gesteld.

Juist Hepkema, zeg maar gerust: een golvend inzicht voorspeld.

Excuus Tjepkema, ik kom er nu tussen. Dat concert waar jullie je op verheugd hadden, is niet mijn bezwaar. Maar aanvullend wil ik iets anders kwijt, namelijk dat de kliederpartij op deze rotswand mij niet interesseert. Ik weet dat de grot is ontstaan door smeltwater aan het einde van de ijstijd en meer wil ik er niet over weten. Liever zou ik met u de grotten van Dunhuang bekijken, waar echte kunst is te zien. Dit geklieder stelt helemaal niets voor. En indien niets, dan alles niets, of water.

Fragment grotschildering Dunhuang, China, vanaf 4e eeuw CE

Mee eens, René. Ik denk er net zo over. Doe mij de Mogao grotten van Dunhuang maar. Ja toch? Wat interesseert ons zulke prehistorische kliederaars, het lijkt wel of ze schilderen met hun poep. Laten we snel doorlopen, wegwezen uit deze stinkhal. Wat geweest is, is geweest. En als je  fijnzinnige kunst wilt zien, moet je niet in de prehistorie wezen.

Mannen, heb geduld alstublieft. Vertrouw uw gastheer. U zult zien: vanavond worden golven hoge wolken en wolken worden hoge golven. En daartussen verblijven u en ik. Ik heb deze grotschildering gekozen omdat ik bij het begin beginnen wil. Er zijn wetenschappers geweest, sociobiologen vooral, die de mens laten beginnen bij de chimpansee. Hun zienswijze was met name geliefd bij mannelijke politici in de voormalige USA. U zult zich misschien de naam Trump herinneren. Tegenwoordig is het duidelijk dat het begin van de mens is te vinden in wat iemand te zeggen heeft. Daarom staan we hier in deze grot, omdat ik met jullie wil luisteren naar wat de oorsprong van de kunst ons zegt. Het gaat om het vinden van betekenis en dan moet je kijken naar de eerste tekening. En wat die chimpansee betreft, vergeet ook niet dat de mens, in tegenstelling tot de aap, het water oversteken kan. Of, om het met de dichter van de Schelde te zeggen:

Max, ik geef jou nu het woord.

Wel, als we naar deze grotwand kijken, zien we graffiti van twintigduizend jaar oud. We zien een man met een vogelkop en hij heeft een duidelijke erectie. Ruïz, ik veronderstel dat jij de erectie bedoelde, toen je vroeg: ‘Wie neemt wie op de horen?’

De man ligt languit voor een gewonde bizon; deze houdt de blik op de man gericht terwijl hij zijn ingewanden verliest. De bizon gaat sterven. Onder de neergevallen man is aan het uiteinde van een stok nog een vogel getekend. Een antropoloog vergeleek de scene eens met een offerritueel. Hij zag in de houding van de man de extase van een met een masker als vogel vermomde sjamaan. De sjamaan uit het paleolithische tijdperk zou niet veel verschild hebben van bijvoorbeeld een sjamaan uit Siberië uit de negentiende eeuw. Kijkend naar de scene, zijn er drie vragen die ik zal beantwoorden: 1 Waarom zijn de dieren levensecht afgebeeld en de man zo houterig? 2 Waarom ligt de man daar zo? 3 Waarom schilderde iemand dit?

Eén: De paleolithische schilder heeft prachtige dieren geschilderd, maar hij beeldt de mens raar af.  De marginaliteit van de menselijke figuur duidt erop dat het drama van de afbeelding zich niet afspeelt binnen of buiten de grot, maar tussen de oren van de schilder! Deze graffiti geeft een inkijkje in het hoofd van de man die het op de rotswand schilderde. De grotschildering laat een gedachte zien. En gedachten zijn wezenlijk voor het onderscheidt tussen mens en dier. Een dier lééft, maar de mens leeft en dènkt.

De gedachte die we hier zien, gaat over de dood. Een mens denkt en hij weet iets wat het dier niet weet, namelijk dat hij sterfelijk is. Een mens beseft dat zijn tijd is begrensd. Zodoende heeft hij ook gevoel voor humor, gevoel voor maat en ritme, kan hij rekenen en een melodie verzinnen, in plaats van alleen wat fluiten, zoals een vogel doet. Kortom, de man die zo lang geleden leefde, nodigt ons uit om een kijkje in zijn hoofd te nemen en hij deelt met ons zijn gedachte over de dood. Die gedachte opschrijven kon hij niet, want het schrift werd vijftienduizend jaar later uitgevonden.

Twee: We zien een naakte man, waarschijnlijk een sjamaan met een vogelmasker op. Hij heeft een erectie en ligt op de grond voor een stervende bizon. Waarom ligt hij daar? We kunnen denken aan een mensenoffer en dat is geen rare gedachte, want met zijn dood doet de sjamaan misschien boete voor het doden van de bizon. Boete doen voor gedode dieren ws bij veel jagersvolken regel. Wat we hier zouden zien, is dan een mensenoffer. Maar waarom is die man dan zo raar afgebeeld en heeft hij een erectie? Kortom, er is hier meer aan de hand…

Drie: De schilder wilde niet zomaar iets afbeelden, hij wilde iets zeggen. Maar wat? Ik sluit aan bij de surrealist Bataille (1897-1962) die op deze vraag een antwoord had. Het raadsel dat de schilder van Lascaux ons voorlegt, gaat volgens hem over erotiek. Het afgebeelde slachtoffer ervaart in de angst en de pijn tegelijkertijd een opwinding en genot, want waarom heeft zijn geslacht zich anders opricht. Genot?- zult u vragen. Genot? – maar die man staat oog in oog met de dood! Jazeker, want volgens Bataille is dit het geheim van de erotiek: wie zich in het gevoel verliest, ervaart zichzelf volledig.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is ScreenHunter_2479-Oct.-19-14.30.jpg
George Bataille in de grot van Laxcaux 1946

Gewone seksualiteit is iets anders dan erotiek. Seksualiteit behoort tot het gedachteloze dierlijke leven, maar het menselijk leven kent een activiteit die een zeker ‘duivels’ aspect heeft. Dat ‘duivelse’ is weliswaar een verwijzing naar het christendom dat later kwam. Toch laat de grotschildering zien dat de vroege mens, toen het christendom nog ver weg was, al wist wat erotiek betekent. Kijkt u maar, de grotschildering bewijst het: het toont een man met een opgericht geslacht en dat betekent dat er een relatie is tussen erotiek en de dood.

Luister, de man die zo raar getekend op de grond ligt, moet u niet zien als een ritueel offer, of als een verzoening met de dood. Dit was in het christendom wel het geval, maar het christendom ontkende de kracht van de erotiek, het ontkende dat erotiek een ontmoeting is met de dood. De waarheid, waar deze grotschilder van getuigt, is dat een mens via de erotiek met de dood in contact komt. Dat is wat de schilder u hier toont. Erotiek is een gevoel van huiver, roes, genot: een moment van waanzin op de grens van het leven. Dat is het raadsel dat de schilder u laat zien, tenminste als u zich inleeft in de figuur die voor de bizon op de grond ligt.

Griekse vaas met saters tijdens feest van Dionysos

Misschien was alcohol toen ook reeds een bekend middel om een roes kunstmatig op te wekken, maar de erotiek is en blijft de pure vorm van extase waarin we vergeten dat we denkende wezens zijn. In de roes offeren we ons denken op en verdwijnen we met de ander in het gedachteloze. Geen denken meer, geen inperking, geen begrenzing. Enkel de ervaring van het leven in ons en het leven dat ons omvat. Met het denken kan dat niet. Ons denken maakt juist bewust van de begrenzing en het denken kan zichzelf niet ‘ontdenken.’ Of misschien kan dat wel, maar dan zou een mens zonder zijn gevoel, nog minder zijn dan het dier.

Het extreme gevoel, de extase, brengt u in contact met dat wat u inperkt: de dood. In het oude Griekenland wisten de aanbidsters van de wijngod Dionysos dit nog. Zij brachten hun opwinding in verband met de ‘rage’ van de bacchanten die, bij gebrek aan eigen kinderen, levende geitjes met hun tanden verscheurden en verslonden… En, mijne heren, dit kan een indicatie zijn voor wat ons mogelijk morgen te wachten staat in de Inanna-kathedraal.

Bravo! Bravo! Goed gesproken, Max. De ouwe Bataille in een notendop, dat had ik niet achter jou gezocht. Moet je mijn armen zien, kippenvel! Die Dionysos doet de deur dicht! En dan heb je nog niet eens verteld van de oorlogen, de kampen en alle doodsverschrikkingen waar een gemankeerde erotiek de oorzaak van is. Dus jij ziet de erotiek als het begin…? Dan zit je op dezelfde lijn als mijn bet-bet-betovergrootvader die zijn leven lang stierengevechten schilderde. Oei, oei, Max. Jij gaat morgen ook de kathedraal in en wie weet, sta je daar dan oog in oog met een vrouwelijke torero en is het jouw ‘hora de la verdad’. Eén ding is dan zeker: je eindigt als een man van smarten, met een vijftal banderilla’s in je nek en een kromzwaard in je hart.

Als ik jou was… Ik ga in elk geval niet. En ik zal je zeggen waarom niet. Allereerst is dat vanwege mijn eergevoel. Wie mijn genen wil, moet erom vragen, ik loop er niet mee te koop. Ten tweede: ik wil helemaal geen kinderen, er zijn al mensen genoeg. En de derde reden is deze rotswand. Max, hoe fraai ik je uitleg ook vind klinken, hij raakt helaas kant nog wal. Op drie vragen gaf je antwoord, maar ongemerkt beantwoordde je ook een vierde vraag, namelijk deze: was de schilder een man of een vrouw? Jij denkt dat het een man was, maar je hebt het mis. De schilder was een VROUW.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is vogel-grot.png

Ok, nu wil je bewijs. Hier is het: kijk naar het vogeltje. Jij noemde het vogeltje niet, maar het staat daar echt. Rechtop, helemaal vooraan, terwijl die kerel er op zijn rug achter ligt. In jouw verhaal staat het mannelijke geslachtsdeel centraal, maar echt, je moet een vergrootglas hebben wil je dat dingetje goed zien. De vogel daarentegen staat pontificaal vooraan. En toch noem jij het niet. Onbegrijpelijk. Tenzij hier sprake is van een zekere ‘pikgerichtheid’. Of moet ik zeggen: narcisme? Of: een mannelijke obsessie met zichzelf? Kijk nog eens goed Max, kijk ook naar de speer die de Bizon doorboorde. De speer is geknakt toen hij de grond raakte en zo wordt hij een pijl die naar de vogel wijst. Kortom, de schilder wijst naar de vogel.

Is het een echte vogel? Nee, het is een totem op een stok, een beeldje, een denkbeeld, een bedachte vogel, een gedachte dus. Welke gedachte? Deze vogel neemt je via een vrouwelijke gedachtegang mee naar het diepste van de grot. Wat doen vogels? Juist, ze leggen eieren. Ga nu eens met je hand langs de gladde rotswand en voel hoe glad die is. Zo glad als een eierschaal. Het is een wand die getuigt van innerlijk leven dat door de muur heen breekt. De verf op de wand vertelt een verhaal dat vroeg of laat uitkomt. Tenminste, als het verstand luistert en verstand van broeden heeft.

Weet je, Max. Woorden zijn als eieren. Van binnen is elk woord donker, maar dat innerlijk zit boordevol onzichtbare betekenis. Mijn bemanning hier aan boord weet donders goed wat broeden is: het is je ware Broederschap. Die vogels, wat doen ze nog meer? Ze zingen! Dus Max, je moet niet alleen kijken, maar ook luisteren. De zang van de vogel overtreft met gemak het gebrul van een bizon.

Ik geloof niet in erotiek waarmee ik mijn grenzen kan verleggen. Ik hecht aan een goed verhaal met een moraal. En ik geloof in een denken waarin men zich ontmoet. Erotiek brengt geen welvaart, maar geeft je een blik op je uitvaart.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is ScreenHunter_2421-Oct.-07-16.13.jpg
Grotten van Cogul, Spanje, 5000 v.Chr

Een andere grotschildering laat ik je nu zien. Deze is gemaakt door een schilder die zo’n vijfduizend jaar later leefde. Hier wordt opnieuw een verhaal verteld en we zien nu mensengestalten duidelijk afgebeeld. Welk verhaal horen we hier? We zien een groep vrouwen naast een geschoten hertenkalf staan. Een volwassen hert kijkt toe. De vrouwen bestraffen een jongeman, wiens geslacht omlaag hangt. Hij lijkt te worden bestraft, of te worden uitgejouwd door de vrouwen. Hij schoot een jong kalf dat nog volwassen moest worden. Blijkbaar waagde de schutter zich niet aan het volwassen hert met het vervaarlijke gewei. En nu wordt zijn lafheid door de vrouwen bestraft.

Ik zou zeggen Max, ga bij jezelf te rade en bedenk waarom je morgen de kathedraal wilt binnengaan. Maar voor het zover is, neem ik je mee, we gaan op reis in mijn Ent. Een Ent die ik leerde varen toen de vloed kwam. Want ja, het water kwam, zoals de oude Tolkien op curieuze wijze voorzag. Mijn Ent is een oeroud wezen, één van de weinigen die het walvislied kent, hij draagt het met zich mee onder zijn bast.

Fotomontage, Dora Maar 1935

In vliegende vaart gaan we naar Parijs, het gaat bijna met de snelheid van het licht, voel je wel? Nog even en we zijn in de oude lichtstad die het geheim van mijn voorvader bewaart. Zo dadelijk zal ik je het geheim vertellen dat begint met een brief die ik op zak had. Een oude brief die generaties lang in het bezit was van de familie, totdat het document aan mij werd toevertrouwd. Ik wist echter niet wat ik ermee aan moest. Waar moest ik ermee heen? Ik struinde de wereld af dankzij het fortuin dat ik erfde van mijn voorvader, totdat ik bedacht dat ik naar Sequana moest gaan, naar de Gallische nimf die sinds mensenheugenis de bron van de Seine bewaakt. Haar wilde ik de brief voorlezen. En dat deed ik. Ik vond haar en las de brief. Zij luisterde, liggend in haar grot bij de bron. En toen ze alles had gehoord, was het haar knipoog die mij genas. Zij was het die mij wegwijs maakte in het labyrint van de tijd.

Nu dan, we zijn er. Hier zal ik de brief aan jou voorlezen. Kijk ondertussen rond en proef de sfeer van de stad. Geniet van de plek waar het allemaal gebeurde. Tenminste, voor zover dit nog kan, want de vloed heeft de stad flink veranderd. Luister, het is een brief van de hand van Dora Maar, een minnares van mijn roemruchte voorvader. Een brief, geschreven door de vrouw die zogezegd altijd huilde en door de kunstwereld voor gek werd verklaard. Maar mij heeft ze aangemoedigd en aan het denken gezet. Luister en oordeel zelf. Dit schrijft ze:

– wordt vervolgd

.