Picasso-opera, scene 8

Hebben jullie het al gehoord? Nee? Moet je horen. Jullie waren al binnen, maar ik stond nog voor de kathedraal afscheid te nemen van onze gast. Bij de deur hield hij mijn hand vast en vroeg me naar het water. Ik zeg: ‘Als hydrobioloog weet ik wel het een en ander, maar wat wilt u precies weten?’ Toen vroeg hij naar het Afroditische model, want hij had me er gister iets over horen zeggen. Dus ik vertel over de fluïde wetenschap en dat reologie tegenwoordig het belangrijkste wetenschappelijke paradigma is. Dat het universum wordt verstaan als een meervoudigheid van stromen, als een fluctuerend netwerk. En dat dit te danken is aan Thales van Milete, de oude Griek die door latere filosofen belachelijk werd gemaakt. Zodoende keerde de filosofie het water de rug toe en dacht men liever na over macht, hiërarchie, geld en bedeling.

Jackson Pollock, number 1, 1949

Dat was compleet nieuw voor hem. Hij wist ook niet dat de mechanistische wetenschap vervangen is. ‘U moet het zo zien,’ zei ik. ‘De bedding van een rivier is net zo goed een stroom als de rivier zelf. Het universum is één deinende en golvende zee. De wereld is turbulent en wij zijn het ook. Er is geen scheiding meer tussen poëzie, wetenschap en ethiek. En dat alles hebben we te danken aan water. Was er geen water, dan draaide de aarde nog rond als een hete klont.’ De schilder Pollock was iemand die begreep hoe het werkte. Zijn leermeester Picasso daarentegen, snapte het wezen van de verf niet. In het café bestelde hij altijd water, maar hij raakte het flesje nooit aan.

Arno Rafael Minkinen, Zelfportret, 2000

Nou, daarmee had ik zijn belangstelling gewekt, want meteen vroeg hij naar ethiek. Dus ik vertel over het geofilosofische ethos. Dat de wereld meervoudig is en dat dit nergens zo goed te zien is als bij water. ‘Vroeger reduceerde de mechanistische wetenschap water tot H2O, maar wat is water echt? Wat heeft water ons te zeggen? Waar wijst het waterstofatoom op?’ zei ik.

Ik legde uit dat waterstofatomen zo ver mogelijk verwijderd zijn van de elektronen rond het zuurstofatoom, alsof ze niets met elkaar te maken willen hebben: een promiscue entiteit, alsof een van de echtelieden in een huwelijk alleen maar geïnteresseerd is in wat zich buiten dat huwelijk afspeelt. Een watermolecuul grijpt constant om zich heen en houdt zich aan andere moleculen vast. Je kan zeggen dat de waterstofatomen in een watermolecuul veel minder geïnteresseerd zijn in de elektronen van het molecuul waar ze deel van uitmaken, dan in die van andere moleculen. De structuur van een watermolecuul zorgt ervoor dat er uitgebreid kan worden genetwerkt. Als er één molecuul rizomatisch is, dan is dat wel het watermolecuul.

Ruud van Empel, World, 2007

En er is nog iets, een mysterie dat nog altijd niet is opgelost: water bevat ook psychische informatie. Ongelooflijk, maar waar. De bestudering van de kristalstructuur van water wijst dit bijvoorbeeld uit. Water is de waarborg van het leven, het is de garantie èn de graadmeter voor empathie! Hiermee heeft water voor mij een goddelijk karakter. Vandaar mijn lijfspreuk: Indien niets, dan alles niets, of water!’

Water lijkt simpel, het valt met bakken uit de hemel en stroomt als vanzelf uit de kraan. Maar water is veel meer. Experimenteel onderzoek laat zien dat water niet simpelweg een scheikundige formule is. Water is een energie met een geheugen. Als die energie niet vrij kan stromen, raakt zij haar vitaliteit kwijt. Ofwel: de weg naar een gezonde civilisatie loopt langs het geheim van water en niet langs zoiets als Watergate.

Toen vroeg ik hem wat hij van de kathedraal vond en van alles wat wij hadden gezegd. Weet je wat hij toen zei? ‘Ik vind niets, ik verzoek.’

Hij zei het lachend, dus blijkbaar zat hij er niet mee. Maar ik vroeg hem: ‘Mag ik dan vragen wie u bent?’ Nou, toen kwam hij dan eindelijk met zijn eigen verhaal.

Het verhaal.

Hij zei: ik ben Icarus.

Ik: Icarus? Hoezo?

Ic.: Icarus de zoon van Daedalus die het labyrint ontwierp. U weet wel: de Minotaurus en Midas’ leugenaarsjargon. Vader nam daar was en veren, maakte vleugels en vloog weg. Ik vloog hem na, vergat z’n raad en vloog te dicht langs de zon.

Grote golf van Kanagawa, Hokusai 1833

Ik: En toen smolt die was, u viel in zee en verdronk.

Ic.: Ware het niet dat er een walvis was.

Ik: Een walvis? Daar weet niemand iets van. Uw vader viste uw lijk op en begroef het op een eiland.

Ic.: De vis zag me vallen en brak de klap, hij bewoog met de staart het water. De golf ving me op en redde mij.   

Ik: Ga weg, dat kan niet, je verdronk gewoon.

Ic.: Dat lijk was niet mijn lijf, ‘t behoorde toe aan een ander. Of herkent u soms de eigenaar van een lijk dat maandenlang in zee drijft?  

Ik: Hm. En de walvis?

Ic.: Hij zette me af, hier bij Ninevé, echter niet om onheil te preken. Ik vertelde de stad van het labyrint en van vaders vleugels en de waal. Hoe deze me het leven gered had.

Ik: Ok, en toen?

Ic.: We doken onder in de rivier en ik bevrijdde Enkidu uit zijn graf.

Ik: Wat? Dat bestaat niet! En toen?

Ic.: Sinds die dag zong de vis voor ons zijn lied en bevoeren wij de tijd.

Ik: Ja, ja. En toen?

Picasso, Guernica 1937

Ic.: We passeerden eens een schilder en een gebombardeerde stad. Een lied dat de schilder daar hoorde, maar ook weer snel vergat.

Ik: Oh ja? Wat hoorde hij dan?

Ic.: Een gevecht dat hij zag gebeuren: schip tegen witte waal. Achab hoort hij wenen en ‘t krijgslied van Moby Dick.

Ik: Dat klopt. Jackson Pollock heeft het ook gezien.

Ic.: Picasso, verslaafd aan zelf-entertaining, vers-likte zich in schildertaal. Hij verdronk, ging kopje onder, ‘t was een afscheid zonder één snik.

Ik: En toen?

Ic.: 1937 werd 1957 met de Aziatische griep. Enkidu toen het leven liet. De vis koos te zwijgen, ’t water slechts zong. Geen heiter lied mij meer omringde, enkel ziltig nat verdriet.

Ik: Wat toen?

Ic.: Ik was Enkidu verloren en miste hem heel erg. Eén ik is maar allenig en de waal hield van vierbenig en ik, ik wilde ich-und-du.

Ik: En toen?

Ic.: Dat ik hoorde een schipper zingen vanaf een rare boot. De zang vol van hormonen, aan een dek op een houten poot. De zingzang resoneerde in de waal z’n kop, het borrelde en bewoog weer in het dier z’n schrale krop.

Ik: Zeg, Icarus. Je bedoelt toch niet Ruïz en zijn malle schip?

Jeroen Bosch, Verzoeking van St Antonius, 1501

Het antwoord op mijn vraag bleef hij me schuldig, want we schrokken allebei van een enorm lawaai verderop. Raad eens wat? De metro kwam de brug opgereden en werd op dat moment door een reusachtige staart onderschept. De wagon zweefde in de lucht, de deur ging open en iemand kwam naar buiten en stapte op de vissenstaart. Het was Ruïz! Hij zag ons en liet zich naar beneden glijden, rende naar ons toe.

Ruïz (buiten adem): Wat goed dat ik jullie zie! Weet je, ik heb me bedacht. Ik wil toch met jullie de kathedraal in.  

Ik: Weet je het wel zeker? Je had toch besloten je eigen weg te gaan?

Ruïz: Jawel, maar door een droom ben ik van gedachten veranderd.

Ik: Een droom? Vannacht?

Jackson Pollock, Moby Dick 1943

Ruïz: Ja! Ik droomde dat het huis in brand stond. De stroom viel uit en op straat schreeuwden mensen. Met een druipende kaars in mijn bloedende hand ging ik van kamer naar kamer. Of was het de kaars die bloedde? Er was rook, ik kokhalsde en hapte naar lucht. Vlug opende ik een raam en keek recht in het oog van een potvis! Het huis kraakte tussen zijn kaken en ik hoorde het geluid van een ontsporende trein. Ik draaide me om en zag mezelf staan in de grot van Lascieux. Ik hield de adem in en voelde mijn hartslag sneller sneller sneller. Toen wist ik dat het was gedaan. Met huis en al verdween ik in het keelgat. Mijn gedachten gingen de feedbackloop in, het denken nam een loopje met alles. Er was een stem die zei dat ik thuis was, eindelijk thuis, t h u i s  was. Toen schrok ik wakker en ik wist meteen: dit is niet goed. Dus ik besloot ASTJAR toch een kans te geven. Meteen nam ik de metro, jullie achterna. En hier ben ik. Zijn de anderen al binnen?

.

Ic.: Niet een droom, de zang bracht u bij mij. En wat dacht u van de kracht van de staart? Op de rug van de vis wil ik u bidden, u en ik op de huid van de waal. Uw zang bracht mij in vervoering, zonder u kan ik niet meer. Of kiest u voor een huis van steen en betreedt u liever de zaal?

Ruïz: Wat? Je bedoelt jij en ik? Wij samen? De Twee! Nou ja zeg. En dan?

Toen werden we gestoord door de bolhoeden die naar buiten kwamen. Ze hadden hun oude vertrouwde plunje aan en verlieten de kathedraal.

‘Excuus heren, mogen mijn collega en ik u passeren? Dank u. Wij hebben ons namelijk bedacht, we zijn te gehecht aan onze kleren.’

Nou Hepkema, zeg maar gerust: Wij wensen ons niet te blameren. Hier buiten voelt het vrij en fis. En nog wat, zie jij ook die enorme vis?

Ach, over wat er volgde kan ik kort zijn. Icarus vertelde het doel van de reis: eerst een cruise op de Liffey in Finnegans Wake en daarna zagen ze wel verder. Nou, Ruïz was dolenthousiast, hij stapte meteen op en de bromsnorren zwaaiden hen uit. En Yukio, jou persoonlijk moest ik van Icarus nog dit zeggen, voor het geval je in Florence op de Ponte Vecchio op Ruïz zou wachten: ‘Ga gerust vriend, maar wacht er niet te lang. Ik zie je dan wel staan en zal aan je denken. Je merkt het wel.’

.

.

FIN

.