Acht voor in de schoen

. 8 Sapates . Hijs ‘m op, de grijze muis Hieperde jieperde kieperde piep Hij s ‘m opde grijze muis Hiep erde jiep erde kiep erde piep . Wraak de noten houten boot Vouwte kauwte rouwte oud Raak de noten houten boot Foute koute rauwte out . Ring de wijde zoute zee Zing water zing water Zing water zing Ring de wijde zoute zee . Ruik ’t kuiken in de kruik Wortel mortel knoflook ui R ui kt kuik enin de kruik Word tel mort elk no fl o ok ui . Eet je scherpe messen dik Rikke tikke takke tik Eet je scherpe messen dik Ticket akker ikket ik . Gris de hare van de steen Rare ware hare maar G r is de hare van de steen Ware mare hare raar . Licht de hoge platte huid Ondersteboven achterstevoor Likt de oge platte uid Onderste b oven acht erste v oor . – – – – . .
Lees verder...

Geen grand jeté

Terwijl zijn vrienden zijn opgeroepen om te vechten in de Eerste Wereldoorlog, gaat Picasso in zee met het balletgezelschap van Diaghilev. Met nieuwe vrienden, zoals Jean Cocteau, Erik Satie en Igor Stravinski, trekt hij langs de grote steden van Europa. Voor het avant-garde ballet De Parade in 1917 vervaardigt hij decors en kostuums. Hij trouwt in 1918 met de balletdanseres Olga Khokhlova, zij heeft contacten met gefortuneerde Russische adel, goede kopers voor zijn schilderijen. Al snel is hij de best verdienende kunstenaar van zijn tijd. Kunstfotograaf Brassaï schrijft over zijn eerste ontmoeting met de schilder: ‘Hij was een gearriveerd kunstenaar en had daar alle uiterlijke kenmerken van: een Hispano-Suiza met een chauffeur in livrei, kostuums van grote kleermakers, rashonden, een dubbel appartement, een kasteeltje in Normandië (chateau Boisgeloup). Hij ging veel uit, bezocht premières van toneel en ballet en was aanwezig bij de recepties en grote feesten, altijd in gezelschap van zijn mooie, elegante vrouw. Hij was op het toppunt
Lees verder...

Visser van Birdaard

. Er zit vaart in de nacht. De jongen in ‘t wiekend huis droomt dat hij al zestien. In werkelijkheid half zo oud ligt hij op de overloop. Naast de bedbak tikt de wekker. In het donker vindt z’n hand de bel; de ochtend beklijft op het slaapgordijn. De kleren gaan aan. Hij gaat, nu de anderen nog slapen. De arken schemering in. Met hengel emmer brood, door ‘t natte gras dat tranen maakt op rubberlaarzen. ‘t Firmament rust op de vloedlijn van de Ee; zeeën van nevel waar de zon in opduikt en de mist aan flarden slaat. Geen golven zijn noch wolken, de dobber is. En ’t wakkere beneden. Dromen voorntjes van dolfijnen of van een emmer water op de kant? De laarstranen drogen in het licht; warmte op de huid bezinkt en onderhuids wil een drang beklinken. Intussen vaart de dobber. . En de dag kijkt neer op de achtjarige man die daar zit. Aan de oever
Lees verder...