Picasso en Gilgamesj

Daar zit je dan, naast je overleden vriend. Je beste vriend, misschien wel je enige vriend. Hij is dood. Je zit al dagen naast hem, een week al? De anderen verdragen de geur niet langer en zijn weggegaan. Jij niet. Jij blijft tot er wormen uit zijn neus vallen. Dan gaat het niet langer en begraaf je hem. Daarna zwerf je huilend door het land. Waarom verder leven en liefhebben als de ander doodgaat en jij ook? Ook jij zult sterven en dan zal je zijn als je vriend Enkidu. Eén is er die nu raad kan geven: de verre Ut-napistim die de vloed overleefde en het eeuwige leven verwierf. Je schreeuwt het uit: ‘Ik vrees de Dood en zwerf door de wildernis om Ut-napistim te zoeken.’ (Gilgamesj-epos, tablet 9). Het is alsof je hier Picasso’s klaagzang hoort. Op zijn veertiende verliest hij een weddenschap met God waarna zijn zusje Conchita overlijdt. Zeven jaar later komt in Parijs zijn beste
Lees verder...

Picasso’s gezicht

De avond ervoor had het flink geregend. En nu, wandelend door het Vlijmens Ven verbaasde ik me over alle rode vlinders en de vele orchideeën. In de lucht zongen veldleeuweriken. Als ik naar ze opkeek, brandde de zon op mijn gezicht. Tijdens de wandeling was ik in gesprek met een vriend die alles weet van het scheppingsverhaal. Hij legde me uit dat in de Hebreeuwse grondtekst de zeven scheppingsdagen te zien zijn, of te zingen, als een poëtische beschrijving van het menselijk gezicht. De zeven dagen kun je zien als zeven openingen: 2 oren + 2 ogen + 2 neusgaten en de mond. Zijn uitleg kostte wat tijd en de wandeling had dus enig oponthoud. Weer thuis stond ik voor de spiegel mijn verbrande gezicht in te smeren. Altijd bespreken we onze ideeën. Dat doen we al jaren, eigenlijk al sinds de eerste ontmoeting op de allereerste dag van de introductieweek voor eerstejaars theologiestudenten in Kampen. Dat was in 1982.
Lees verder...