Picasso’s gezicht

De avond ervoor had het flink geregend. En nu, wandelend door het Vlijmens Ven verbaasde ik me over alle rode vlinders en de vele orchideeën. In de lucht zongen veldleeuweriken. Als ik naar ze opkeek, brandde de zon op mijn gezicht. Tijdens de wandeling was ik in gesprek met een vriend die alles weet van het scheppingsverhaal. Hij legde me uit dat in de Hebreeuwse grondtekst de zeven scheppingsdagen te zien zijn, of te zingen, als een poëtische beschrijving van het menselijk gezicht. De zeven dagen kun je zien als zeven openingen: 2 oren + 2 ogen + 2 neusgaten en de mond. Zijn uitleg kostte wat tijd en de wandeling had dus enig oponthoud. Weer thuis stond ik voor de spiegel mijn verbrande gezicht in te smeren. Altijd bespreken we onze ideeën. Dat doen we al jaren, eigenlijk al sinds de eerste ontmoeting op de allereerste dag van de introductieweek voor eerstejaars theologiestudenten in Kampen. Dat was in 1982.
Lees verder...

Kunst is oorlog

Picasso schildert de Guernica na het bombardement op de Baskische stad Gernica. Hij is benieuwd naar de reacties. De eerste teleurstelling komt als Manuel de Irujo, afgevaardigde van de Baskisch-Nationalistische Partij, niet wil komen kijken. De Baskische kunstenaar José María Ucelay komt wel. Hij oordeelt: ‘Het is een van de miserabelste kunstwerken ooit vervaardigd. Er is niets in te ontdekken dat op een compositie lijkt, het is niets anders dan zeven bij drie meter pornografie, een schande voor de stad Gernika, voor Baskenland, voor alles!’ Ruimhartig bood Picasso het schilderij aan de Baskische bevolking aan. Hij liet president Aguirre weten: ‘Als u erom vraagt, is het schilderij voor het Baskische volk.’ Aguirre kwam kijken en vroeg de schilder naar de gezwollen vingers van de vrouw op het doek. Picasso antwoordde: ‘Dat zijn geen vingers, dat zijn piemels.’ De president sloeg het aanbod af. Picasso hoopte dat het schilderij dan in elk geval bij de arbeidersklasse in de smaak zou vallen.
Lees verder...